Artikel:

Terbeschikkingstelling personeel Wmo en jeugdzorg btw-vrij

16 februari 2021

De staatssecretaris van Financiën had vanaf 1 januari 2015 al goedgekeurd dat de terbeschikkingstelling van personeel in het kader van de Wmo en jeugdzorg onder voorwaarden btw-vrijgesteld is. Deze goedkeuring is per 1 januari 2021 omgezet in wetgeving. De voorwaarden daarvan lijken daarentegen vanaf 1 januari 2021 anders te worden uitgelegd dan in de eerdere goedkeuring. Dat kan gevolgen hebben voor uw situatie.  

Wat wijzigt er in de voorwaarden? 

Het ter beschikking stellen van personeel in het kader van de Wmo en jeugdzorg wordt onder voorwaarden als een btw-vrijgestelde dienst aangemerkt. Bij het ter beschikking stellen van personeel stelt de uitlener personeel ter beschikking aan de inlener, waarbij het uitgeleende personeelslid onder leiding of toezicht van de inlener werkzaamheden verricht. De vrijstelling voor Wmo-zorg en ondersteuning is wettelijk een andere vrijstelling dan die voor de jeugdzorg. Tot op heden gooit de wetgever deze twee btw-vrijstellingen toch vaak op ‘één hoop’. Bij de omzetting van de goedkeuring voor het btw-vrije detacheren in de wet wordt nu echter een strikt onderscheid gemaakt. De btw-vrijstelling geldt alleen als een Wmo-instelling personeel uitleent aan een andere Wmo-instelling, of als een jeugdzorginstelling personeel uitleent aan een andere jeugdzorginstelling. De vrijstelling geldt volgens deze strikte uitleg dus niet (meer) als een Wmo-instelling personeel uitleent aan een jeugdzorginstelling of vice versa. Dit strikte onderscheid is naar onze mening niet wenselijk, omdat beide vormen van zorg dicht tegen elkaar aan liggen. 

Daarnaast moet het uitlenen van het personeelslid onontbeerlijk zijn voor het verrichten van Wmo-zorg en ondersteuning dan wel jeugdzorg. Hiermee wordt bedoeld dat de inlener zonder het inlenen van het personeelslid niet hetzelfde niveau of dezelfde kwaliteit van zorg kan leveren. Dit betekent volgens de staatssecretaris ook dat eenzelfde niveau en dezelfde kwaliteit, bijvoorbeeld door de kwalificaties van het betrokken personeelslid of de flexibiliteit van de voorwaarden van de terbeschikkingstelling, niet kan worden verzekerd als de inlener een beroep zou doen op een commercieel uitzendbureau. Deze uitleg van het begrip ‘onontbeerlijk’ is veel strikter dan tot op heden is gegeven. Kennelijk moet nu de kwaliteit of de voorwaarden van de detachering worden vergeleken met de detachering door een uitzendbureau. Wij vragen ons af hoe dat bepaald en vergeleken dient te worden. En moet die vergelijking landelijk worden gemaakt, of regionaal?
 
De laatste voorwaarde is dat de uitlener met de terbeschikkingstelling geen extra opbrengsten beoogt te behalen. Dat is het geval als de vergoeding beperkt blijft tot de bruto loonkosten, plus een eventuele redelijke kostenvergoeding voor de kosten van het optreden als formeel werkgever. Opvallend is dat de staatssecretaris meent dat als de uitlener tóch een hogere vergoeding in rekening brengt, deze in concurrentie treedt met commerciële bedrijven. Over de detachering is dan btw verschuldigd. Ook de uitleg van deze laatste voorwaarde is nieuw en naar onze mening te strikt. Door een ‘te hoge’ vergoeding te berekenen, treedt een instelling namelijk niet automatisch in concurrentie met commerciële partijen. De bovenstaande striktere uitleg waarbij het uitlenen onontbeerlijk moet zijn, lijkt bovendien concurrentie al uit te sluiten. 

Welke gevolgen heeft deze wijziging voor u?

Hoewel is aangegeven dat de eerdere goedkeuring ‘slechts’ is omgezet in wetgeving, lijkt de uitleg van de voorwaarden voor deze btw-vrije uitleen van personeel toch strikt. Strikter dan alle andere goedkeuringen omtrent het uitlenen van personeel als vrijgestelde nauw samenhangende prestatie. Wij gaan er dan ook van uit dat de soep niet zo heet zal worden gegeten als dat deze in de toelichting van de staatssecretaris wordt opgediend. Wij verwachten wel dat hier meer en vaker discussie met de Belastingdienst over zal ontstaan. Het is daarom verstandig om de voorwaarden en de omstandigheden van het uitlenen van personeel in het kader van de Wmo of jeugdzorg goed vast te leggen. Daarbij zal vooral het ‘waarom’ van het uitlenen belangrijk zijn, met het oog op de invulling van de voorwaarde van onontbeerlijkheid. 

Meer informatie? 

Neem dan contact op met een van onze adviseurs. Wij helpen u graag!