Artikel:

Ruimere reikwijdte voor btw-vrijstelling collectief vermogensbeheer

10 november 2021

Het beheer van collectief bijeengebracht vermogen is vrijgesteld voor de btw. Een van de voorwaarden om te kwalificeren als collectief beleggingsfonds voor de vrijstelling is dat het fonds moet zijn onderworpen aan bijzonder overheidstoezicht. Onlangs heeft de Staatssecretaris het beleid over de invulling van dit vereiste geactualiseerd, gelet op de ruimere uitleg die de Hoge Raad eerder hieraan heeft gegeven. Bent u actief in de vermogensbeheermarkt of bent u een beleggingsfonds? Dan biedt dit geactualiseerde beleid wellicht de mogelijkheid om de vrijstelling voor collectief vermogensbeheer toch toe te passen in uw situatie.   

Bijzonder overheidstoezicht – artikel 2:96 Wft-vergunning

De eis van bijzonder overheidstoezicht is in 2015 door het Hof van Justitie geïntroduceerd in de zaak Fiscale eenheid X. Naar aanleiding van de diverse procedures die ontstonden over de invulling van dit vereiste, heeft de Staatssecretaris in 2019 in een besluit verduidelijkt wat onder bijzonder overheidstoezicht moet worden verstaan. Wij verwijzen hiervoor naar ons eerder verschenen artikel. Zoals gezegd is de ruimere uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven aan de voorwaarde van bijzonder overheidstoezicht reden tot actualisering van dit besluit. Zo besliste de Hoge Raad op 4 december 2020 dat het voldoende is dat een vermogensbeheerder onder toezicht staat van de AFM om te voldoen aan de eis van bijzonder overheidstoezicht, ook al is dit op basis van een vergunning voor individueel vermogensbeheer. Deze vergunning stelt namelijk vergelijkbare eisen als de vergunning voor collectief vermogensbeheer. Wij hebben u over deze zaak eerder uitgebreid geïnformeerd. De ruimere reikwijdte die de Hoge Raad toekent aan de eis van bijzonder overheidstoezicht is nu door de Staatssecretaris nadrukkelijk overgenomen in zijn beleid voor bijzonder overheidstoezicht. Het toezicht dat beleggingsondernemingen die een vergunning hebben op grond van artikel 2:96 Wft (MiFID II-vergunning) en op grond daarvan individueel vermogensbeheer verlenen, kwalificeert daarmee ook volgens de Staatssecretaris als bijzonder overheidstoezicht in de zin van de vrijstelling.

Bijzonder overheidstoezicht – banken

Banken met een bankvergunning van DNB staan op grond van de Wft onder prudentieel toezicht van DNB en onder gedragstoezicht van de AFM. Op basis van hun bankvergunning (art. 2:11 en 2:13 Wft) mogen banken ook beleggingsdiensten verlenen. Volgens het besluit is ook in een dergelijke situatie voldaan aan de voorwaarde van bijzonder overheidstoezicht.

Bijzonder overheidstoezicht – CLO’s

Als gevolg van de introductie van de eis van bijzonder overheidstoezicht heeft de Belastingdienst diverse goedkeuringen beëindigd op grond waarvan zogenoemde CO’s (Collateralized Obligations) de vrijstelling voor collectief vermogensbeheer toepaste. In verband met bovengenoemde zaak van de Hoge Raad heeft de Staatssecretaris toen besloten om opzegging van oude goedkeuringen uit te stellen tot 1 juli 2021. Zie ook ons eerder geschreven artikel. Op grond van het geactualiseerde besluit geldt ook voor VBI’s (vrijgestelde beleggingsinstellingen), FGR’s (Fondsen voor Gemene Rekening) en CLO’s (Collateralized Loan Obligation vennootschappen) en dergelijke dat sprake kan zijn van bijzonder overheidstoezicht, mits zij onder één van de in het besluit genoemde categorieën vallen. Daarbij vermeldt het besluit expliciet dat moet zijn voldaan aan de overige voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling van collectief vermogensbeer.

Bijzonder overheidstoezicht – grensoverschrijdende situaties

Beheerders uit een andere EU-lidstaat die beschikken over een vergunning in die lidstaat kunnen ook in Nederland vermogensbeheerdiensten verrichten als wordt voldaan aan de artikelen 2:70, 2:71 en 2:72 Wft. Het besluit uit 2019 vermeldde dat in die gevallen ook voldaan is aan de eis van bijzonder overheidstoezicht. Hieraan wordt in het nieuwe besluit toegevoegd dat beleggingsondernemingen uit een andere EU-lidstaat of met een Nederlands bijkantoor beleggingsdiensten mogen aanbieden als voldaan is aan art. 2:101 en 2:102 Wft. Ook dan is volgens het besluit sprake van bijzonder overheidstoezicht.

Voor beheerders gevestigd buiten de EU gold al dat sprake was van bijzondere overheidstoezicht als de beheerder van buiten de EU beschikt over een vergunning op grond van art. 2:65 of 2:69b Wft. Hieraan wordt in het nieuwe besluit ook de vergunning art. 2:96 Wft toegevoegd. Daaronder worden ook begrepen de beleggingsondernemingen die vallen onder art. 10 van de vrijstellingsregeling Wft.

Gevolgen voor de praktijk

Naar onze mening is het geactualiseerde besluit een zeer welkome handreiking die tot op zekere hoogte een einde maakt aan het ongelijke speelveld voor beleggingsfondsen dat ontstond door de beperkte uitleg van de eis van bijzonder overheidstoezicht. Alhoewel de ruimere uitleg van dit vereiste niet voor iedere situatie een uitkomst zal bieden, aangezien toch per geval zal moeten worden beoordeeld of aan het vereiste van bijzonder overheidstoezicht is voldaan, komt dit de rechtszekerheid wel ten goede. Het geactualiseerde besluit heeft terugwerkende kracht tot en met 4 december 2020 en biedt voor de praktijk de mogelijkheid om in meer situaties de vrijstelling van collectief vermogensbeheer toe te passen.

Meer informatie?

Gelet op het geactualiseerde besluit van de Staatssecretaris achten wij het raadzaam om uw btw-positie goed te laten (her)beoordelen om na te gaan of de vrijstelling voor collectief vermogensbeheer kan worden toegepast en welke acties u mogelijk kunt ondernemen. Neem hiervoor contact op met een van onze btw-adviseurs. Wij helpen u graag!