Artikel:

Ondernemende ontwikkelingshulporganisatie geen btw-ondernemer

21 juli 2021

Recent heeft BDO een procedure gevoerd voor een ontwikkelingshulporganisatie die lokaal voorzieningen treft op het gebied van hygiëne en sanitair. Daarvoor haalt zij in Nederland gelden op via sponsoren, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en geldschieters. In haar filosofie is een bijdrage van de lokale gemeenschap cruciaal voor het bestendigen van de getroffen voorzieningen. Daarom levert zij de voorzieningen tegen 5%-40% van de kostprijs. Deze vergoeding is niet kostendekkend, omdat de lokale bevolking deze, gelet op het gemiddelde inkomen niet kan betalen, maar er kan wel gesteld worden dat in de ogen van de lokale bevolking de bijdrage aanzienlijk is. Dit wordt dan ook niet als een symbolische vergoeding gezien.

Uitspraak

Het Hof stelt dat deze lokale leveringen niet kunnen leiden tot ondernemerschap van de ontwikkelingshulporganisatie. Om het werk namelijk uit te voeren, wordt een lokale partnerorganisatie ingeschakeld. Zij halen de bijdragen op en treden uit naam van de ontwikkelingshulporganisatie op naar buiten. De partnerorganisatie heeft geen eigen zelfstandige activiteiten. Toch wordt door het Hof geoordeeld dat het ondernemerschap op het niveau van de partnerorganisatie moet worden beoordeeld. Daarmee wordt de ontwikkelingshulporganisatie door het Hof Amsterdam slechts gezien als  financier. Een nadelige uitkomst, aangezien daardoor geen enkel recht op btw-aftrek bestaat voor de kosten die gemoeid zijn bij de organisatie. Dit terwijl deze ontwikkelingshulporganisatie naar onze mening zoveel méér doet dan alleen financieren en zeer nauw betrokken is bij de uitvoering van de projecten.

Belang voor de praktijk

Voor omzetbelasting wordt het btw-ondernemerschap snel aangenomen. Zodra iemand meer dan incidenteel vergoedingen ontvangt, waartegenover prestaties staan, is dit ondernemerschap vaak een feit. Dit zie je bijvoorbeeld ook bij zonnepaneeleigenaren en recent nog in de rechtspraak bij een liefdadigheidsinstelling die tweedehandskleding verkocht tegen een geringe prijs. Zowel bij het gebruik van zonnepanelen als de verkoop van tweedehandskleding voor het goede doel is het niet primair de bedoeling om te gaan ondernemen, maar toch is dit ondernemerschap voor de btw dan wel aanwezig. Het Hof koos bij de ontwikkelingshulporganisatie een andere koers, vanwege de contractuele verhoudingen met de partnerorganisatie. Hier kwamen termen naar voren die verwezen naar ‘financiering en donorschap’ en ook was niet duidelijk genoeg in de contracten weergegeven dat de ontwikkelingshulporganisatie zelf het risico droeg van de lokale projecten. Voor de praktijk betekent dit dat de afweging of een organisatie als btw-ondernemer kwalificeert van zeer feitelijke aard is. Daarbij is de insteek van contracten waarin onder meer de onderlinge rolverdeling tussen samenwerkende partijen wordt geregeld van groot belang alsmede in welke hoedanigheid naar buiten toe wordt opgetreden. Let op: het feit dat je als organisatie een btw-nummer krijgt toegewezen na inschrijving in de KvK, betekent niet dat een inhoudelijke beoordeling op het btw-ondernemerschap is gedaan. Dit is veelal een standaardaanname die lang niet altijd juist blijkt. Zoals uit deze uitspraak blijkt is het van evident belang dit steeds kritisch te toetsen.

Meer informatie

Wilt u meer weten over de btw-positie van uw organisatie? Neem dan contact op met eens van onze adviseurs.