Artikel:

Conceptvoorstel ‘Wet aanpassing fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen’

31 maart 2021

Op 29 maart 2021 is het conceptwetsvoorstel ‘Wet aanpassing fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen’ ter consultatie aangeboden op het internet. De voorgestelde wijzigingen kunnen grote gevolgen hebben voor internationaal opererende ondernemingen, maar ook voor particuliere beleggers (denk aan het familiefonds) en DGA’s. Wij zetten de voorgestelde wijzigingen voor u op een rijtje.

In het conceptwetsvoorstel wordt voorgesteld de vennootschapsbelastingplicht van de open commanditaire vennootschap (hierna: open CV)  per 1 januari 2022 te laten vervallen. Daarnaast wordt het open fonds voor gemene rekening (hierna: open FGR), ook wel gebruikt als familiefonds, in de vennootschapsbelasting opnieuw gedefinieerd. Tevens wordt voorgesteld om voor een tweetal bijzondere situaties niet de huidige methode van kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen maar een aanvullende methode te gebruiken.

De voorstellen zijn op hoofdlijnen als volgt:

Wijzigingen voor de open CV

In het conceptwetsvoorstel wordt voorgesteld dat de open CV vanaf 1 januari 2022 niet langer zelfstandig belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting (hierna: VPB). De open CV wordt vanaf dat moment transparant, waardoor de bezittingen en schulden van de open CV worden toegerekend aan de vennoten. Dit wordt gezien als een overdracht door de open CV aan de vennoot en daarover moet in principe afgerekend worden in de VPB. Dit geldt alleen voor de commanditaire vennoten, de beherende vennoten worden onder het huidige regime al zelfstandig in de belastingheffing betrokken.

Om acute VPB-heffing uit te stellen, voorziet het conceptwetsvoorstel in vier faciliteiten:

  • een doorschuiffaciliteit: de fiscale claims die rusten op de stille reserves, fiscale reserves en goodwill in de open CV mogen – onder voorwaarden - worden overgenomen door de commanditaire vennoten;
  • een aandelenfusie: commanditaire vennoten kunnen de fiscale claims op hun aandeel in de CV – onder voorwaarden – doorschuiven naar een nieuwe houdster BV;
  • een gespreide betaling in tien jaar;
  • een doorschuiffaciliteit indien de commanditaire vennoot vermogensbestanddelen ter beschikking stelt aan de open CV.

Reactie BDO:
De voorgestelde wijzigingen voor de open CV hebben zowel in nationaal als in internationaal verband grote impact. Structuren waarbij de open CV bijvoorbeeld momenteel als houdstervennootschap fungeert, zullen opnieuw bekeken moeten worden. In dat opzicht is dit een zeer ingrijpende maatregel. Dat is zeker ook het geval als reeds een herstructurering is doorgevoerd in verband met de ATAD2 hybridemismatch-maatregelen (meer daarover leest u in dit artikel).

Wijzigingen voor het open FGR

Een FGR brengt tegen uitreiking van bewijzen van deelgerechtigdheid vermogen bijeen om dit collectief te beleggen. In het conceptwetsvoorstel wordt de definitie van een open FGR aangepast. De FGR blijft ‘open’, en dus zelfstandig belastingplichtig voor de VPB, in de volgende twee situaties:

  • de participaties in het FGR worden verhandeld op een gereglementeerde markt als bedoeld in art. 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een daarmee vergelijkbaar handelsplatform; of
  • het FGR heeft de verplichting tot inkoop van eigen deelnemingsrechten.

Een FGR wordt in de praktijk ook wel gebruikt voor het beheer van familievermogen. Er zijn twee varianten: de open FGR die zelfstandig belastingplichtig is voor de VPB en de besloten FGR die fiscaal transparant is. Als het niet mogelijk is de participaties buiten de familie te verhandelen, komt het familiefonds volgens het conceptwetsvoorstel vanaf 1 januari 2022 niet langer in aanmerking voor zelfstandige belastingplicht voor de VPB. Open FGR’s die niet voldoen aan het nieuwe criterium, worden vanaf dat moment transparant en de bezittingen en schulden worden rechtstreeks toegerekend aan de participanten. Bij deze fictieve overdracht kan acuut vennootschaps- en inkomstenbelasting verschuldigd zijn.

Reactie BDO:
Als het (concept)wetsvoorstel definitief wordt aangenomen, worden families met een bestaand open FGR in principe weer gedwongen hun daarin ondergebrachte spaar- en beleggingsgelden onder te brengen in box 3 in de inkomstenbelasting, mits zij met hun FGR niet voldoen aan het nieuwe criterium voor een open FGR. Deze box leidt tot onrechtvaardige heffing als het rendement (bijvoorbeeld rente op de spaargelden) ver onder het forfaitaire box-3 rendement blijft. Alternatieven, zoals het onderbrengen van het vermogen in een besloten vennootschap, zullen opnieuw beoordeeld moeten worden. Daarnaast vinden wij het hoogst bijzonder dat voor de acute belastingheffing die optreedt bij het transparant worden van de FGR geen overgangsregeling is getroffen zoals dat bij de open CV wel het geval is. Wij verwachten over beide onderwerpen de nodige kritische opmerkingen in de consultatieronde.

Nieuwe kwalificatieregels voor buitenlandse rechtsvormen

Indien in internationale ondernemingsstructuren buitenlandse rechtsvormen voorkomen die van belang zijn voor de Nederlandse belastingheffing, moet worden beoordeeld met welke rechtsvorm deze in Nederland vergelijkbaar is om tot een juiste belastingheffing te komen. Op dit moment vindt de kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen plaats op basis van de zogenoemde rechtsvergelijkingsmethode. Op basis van deze methode worden bepaalde civielrechtelijke kenmerken van een buitenlandse rechtsvorm vergeleken met die van bestaande Nederlandse rechtsvormen. Vervolgens wordt de betreffende buitenlandse rechtsvorm in principe op dezelfde wijze behandeld als de Nederlandse rechtsvorm die hiermee verglijkbaar is.

Als de buitenlandse kwalificatie afwijkt van de Nederlandse kwalificatie ontstaat een mismatch die kan leiden tot dubbele heffing of dubbele niet-heffing. Het conceptwetsvoorstel introduceert twee aanvullende methodes voor de kwalificatie van niet-vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen:

  • de eerste methode betreft de ‘symmetrische methode’. Deze methode wordt toegepast voor de niet-vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm die niet in Nederland is gevestigd:
    Nederland volgt in dat geval de buitenlandse behandeling voor de winstbelasting van de rechtsvorm. Is de entiteit naar buitenlands recht transparant dan is het voor Nederlandse doeleinden ook transparant. Is de entiteit naar buitenlands recht niet transparant en dus zelfstandig belastingplichtig, dan zal Nederland dit ook zo zien.
  • de tweede methode betreft de ‘vaste methode’. Deze methode wordt toegepast voor de niet-vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm die fiscaal wel in Nederland is gevestigd:
    Deze entiteit wordt altijd aangemerkt als een binnenlands belastingplichtige voor de VPB.

Reactie BDO:
Hiermee wordt bereikt dat er significant minder kwalificatieverschillen ontstaan en dit kan grote gevolgen hebben voor bestaande internationale structuren. Naar onze mening is dit een extreme wijziging ten opzichte van het huidige systeem en beleid. Structuren waarbij een buitenlandse rechtsvorm relevant is voor de Nederlandse belastingheffing, moeten dus tijdig tegen het licht worden gehouden.

Tot slot

Uiteraard gaan we het conceptwetsvoorstel nader bestuderen en (via onze beroepsorganisaties) reageren op de internetconsultatie. Reacties op het consultatiedocument kunnen worden ingediend tot en met 26 april 2021. Wij houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.