Artikel:

Faciliteiten bedrijfsopvolging: conclusies CPB na evaluatie

03 juni 2022

Het Centraal Planbureau (CPB) heeft de fiscale bedrijfopvolgingsfaciliteiten geëvalueerd en heeft op 24 mei jl. de uitkomsten gedeeld. Na een korte beschrijving van de fiscale faciliteiten, leest u in dit perspectief meer over de belangrijkste conclusies van het CPB en onze visie hierop.

Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten

De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten zijn in de wet opgenomen om de continuïteit van de onderneming niet in gevaar te brengen. De faciliteiten voorkomen dat belastingheffing een belemmering vormt bij de schenking of vererving van een onderneming. Het CPB heeft twee regelingen getoetst aan deze doelstelling:

Bij de overdracht van een onderneming is de IB-ondernemer inkomstenbelasting verschuldigd over de meerwaarde van de onderneming of over de meerwaarde van de aandelen als de onderneming wordt gedreven in een vennootschap. Dit geldt ook als dat gebeurt in de vorm van een schenking of vererving. De doorschuifregeling schuift de inkomstenbelastingclaim over deze meerwaarde van de overdrager door naar de verkrijgers.

Bij de schenking of vererving van ondernemingsvermogen is de verkrijger schenk- of erfbelasting verschuldigd over de waarde van het ondernemingsvermogen. Bij toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling is ruim 83% van het ondernemingsvermogen onder voorwaarden vrijgesteld. De vrijstelling is opgebouwd uit meerdere componenten. De opvolger kan uitstel van betaling krijgen voor de schenk- en erfbelasting die over de resterende 17% van het ondernemingsvermogen is verschuldigd.

Conclusies en aanbevelingen CPB

Het CPB heeft meerdere conclusies getrokken en doet ook enkele aanbevelingen. Hierna volgen de belangrijkste conclusies:

  • De DSR voldoet aan de doelstelling van de faciliteiten. Of de faciliteit ook noodzakelijk is, heeft het CPB niet kunnen toetsen.
  • De BOR heeft een cadeau-effect, omdat ook een beroep kan worden gedaan op de vrijstelling in situaties waarin er voldoende vermogen is om de belastingclaim te betalen.
  • De vrijstelling schenk- en erfbelasting voor laagrenderende bedrijven zoals landbouwbedrijven en visserij sluit aan bij de doelstelling van de BOR.
  • De effectieve belastingdruk bij schenken en erven van ondernemingsvermogen is vergelijkbaar met andere EU-landen.
  • De berekening en toepassing van de vrijstelling schenk- en erfbelasting is ingewikkeld en zorgt voor hoge uitvoeringskosten.

In het rapport geeft het CPB twee alternatieve denkrichtingen voor de toekomst van de BOR:

  • Een vergaande aanpassing van de BOR: Vervang de vrijstelling door een uitstel van betalingsregeling voor de schenking of erfbelasting die is verschuldigd over de waarde van het ondernemingsvermogen.
  • Een beperkte aanpassing van de BOR: instandhouden van de vrijstellingsregeling met enkele wijzigingen die als doel hebben de knelpunten te verminderen en uitvoeringskosten te verlagen. De regeling wordt daardoor op enkele elementen verruimd en op andere elementen versoberd.

Enkele kanttekeningen bij de conclusies van het CPB

De conclusies van het CPB komen niet als een complete verrassing. Uit eerdere onderzoeken en studies is al gebleken dat in ongeveer 75% van de nalatenschappen voldoende overig vermogen aanwezig was om de erfbelasting te kunnen betalen. In die rapporten is ook al voorgesteld de vrijstellingsfaciliteit te vervangen voor een betalingsfaciliteit. Een belangrijke kanttekening is echter dat de aanwezigheid van overig vermogen niet hetzelfde is als vrij beschikbaar vermogen om belastingschulden te betalen.

Uit het CPB-rapport blijkt verder dat vooral bij grotere ondernemingen niet voldoende liquide vermogen bij de overdrager en/of verkrijger aanwezig is om de belastingclaim te kunnen betalen. Deze ondernemingen dragen echter wel het meeste bij aan de werkgelegenheid en het bruto nationaal product. Als de continuïteit van dit type ondernemingen wordt belemmerd door belastingheffing, heeft dat mogelijk grote invloed op de Nederlandse economie.

Ten slotte kenmerkt het familiebedrijf zich door relatief weinig bancaire financiering. De ondernemer staat bij een opvolging voor de keuze. Ofwel een deel van het ondernemingsvermogen moet worden aangewend voor belastingheffing en dat kan leiden tot een beperking van toekomstige investeringen in het familiebedrijf. De andere optie, het aantrekken van een bancaire financiering, staat mogelijk haaks op de familiewaarden en daarnaast is het nog maar de vraag of en onder welke voorwaarden een bancaire financiering in de praktijk mogelijk is.

Kortom, het constateren dat er voldoende (mogelijk extern gefinancierd) vermogen aanwezig is om de belastingheffing te betalen, houdt volgens ons te weinig rekening met de diversiteit die speelt in de praktijk.

Toekomstverwachtingen bedrijfsopvolgingsfaciliteiten

Hoewel op dit punt niets zeker is, verwachten wij dat het kabinet mede op basis van dit onderzoek de vorm en inhoud van de bestaande faciliteiten kritisch onder de loep neemt en de faciliteiten versobert. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan 1. een verlaging van de vrijstelling van ruim 83% en 2. een beperking van de doorschuifregeling. Als dit soort versoberingen er komen, zal een bedrijfsopvolging duurder worden. Dat hoeft niet per se problematisch te zijn, mits de voorwaarden voor het verkrijgen van de BOR dan ook:
- beter aansluiten op reële bedrijfsopvolgingen,
- de ondernemer niet beperken in het ondernemen,
- helder geformuleerd en beter toepasbaar zijn.

Dit heeft als bijkomend voordeel dat ook het overlegtraject met de Belastingdienst (arbeids- en kosten) efficiënter wordt.

Gelet op deze toekomstverwachtingen kan het fiscaal gunstig zijn een (geplande) bedrijfsoverdracht naar voren te halen om zo te kunnen profiteren van de nu geldende regels. Overweegt u (op korte termijn) uw onderneming over te dragen aan de volgende generatie? Wij overleggen graag wat de mogelijkheden zijn.

Wekelijks op de hoogte blijven van actualiteiten door middel van korte en bondige berichten? Volg ons dan op LinkedIn via #bdoprivateclientservices.