BDO Nederland gebruikt cookies en trackingtechnologieën om het browser-gebruik op onze site te verbeteren, gepersonaliseerde content te tonen en traffic te analyseren. Door het gebruik van onze website, stemt u in met het gebruik van functionele cookies. Door op onderstaande button te klikken, stemt u in met analytische cookies. Lees meer over ons cookiebeleid en privacybeleid.
Artikel:

Fiscale eenheid btw tussen school en BV mogelijk

08 juli 2019

In twee zaken deed de Hoge Raad recent uitspraak over de vraag of tussen een school en haar BV een fiscale eenheid kan bestaan. De vereiste economische verwevenheid staat hierbij ter discussie. De Hoge Raad geeft in beide zaken meer duidelijkheid over de invulling van de economische verwevenheid die is vereist voor een fiscale eenheid btw.

Situatieschets beiden zaken

Eerste zaak: zaak 17/03702

Een onderwijsstichting bezit 100% van de aandelen in de BV die de schoonmaakwerkzaamheden van de schoolgebouwen op zich neemt. Een derde partij houdt toezicht op de uitvoer van de schoonmaakwerkzaamheden van de BV. De BV verricht geen prestaties aan derden.

Tweede zaak: zaak 18/01450

Onderwijsstichting X bezit 70% van de aandelen in een door haar opgerichte BV die tegen vergoeding onderwijzend en ondersteunend personeel aan haar en aan derden ter beschikking stelt. Die BV behaalt 27,2% van haar omzet uit het ter beschikking stellen van personeel aan X. De overige omzet behaalt de BV bij derden.

Fiscale eenheid btw

Van een fiscale eenheid btw is volgens de Nederlandse wet sprake indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. De onderdelen zijn btw-ondernemer;
  2. Zij zijn in Nederland gevestigd;
  3. Er is sprake van financiële, organisatorische en economische verwevenheid.

In de zaken van de Hoge Raad staat de economische verwevenheid ter discussie. Van economische verwevenheid is sprake als de activiteiten van de ondernemers in hoofdzaak (meer dan 50%) strekken tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel (zoals de bediening van een gemeenschappelijke klantenkring), dan wel de activiteiten van de ene ondernemer in hoofdzaak (meer dan 50%) ten behoeve van de andere verbonden ondernemer(s) worden uitgeoefend. Er kan ook sprake zijn van economische verwevenheid als tussen de ondernemers onderling niet verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan.

Ook economische verwevenheid bij niet-economische activiteiten

In de eerste procedure gaan partijen ervan uit dat de onderwijsactiviteiten van de school niet-economische activiteiten zijn. Voor andere activiteiten (zoals bijvoorbeeld de exploitatie van de kantine) is de school wel btw-ondernemer. Volgens de Staatssecretaris kan alleen sprake zijn van economische verwevenheid indien en voor zover het gaat om economische activiteiten van de beoogde fiscale eenheid. Volgens de Hoge Raad is dat niet het geval. Ook prestaties die de BV verricht en die dienstbaar zijn aan de niet-economische activiteiten van de school moeten worden meegenomen om te beoordelen of sprake is van economische verwevenheid. Omdat de BV uitsluitend (dus meer dan 50%) prestaties verricht aan de school is sprake van economische verwevenheid.

Nadere invulling criterium niet verwaarloosbare economische betrekkingen

In de tweede zaak verduidelijkt de Hoge Raad dat het ‘onderling-niet-verwaarloosbaar-criterium’ is bedoeld als aanvulling op het hoofdzaakcriterium. In deze zaak is niet aan het hoofdzaakcriterium voldaan omdat de BV slechts voor 27,2% aan de school presteert. Van een fiscale eenheid is echter ook sprake als de school en de BV financieel en organisatorisch nauw met elkaar zijn verweven en er onderling niet verwaarloosbare economische betrekkingen zijn. Dit criterium is niet alleen toepasbaar op holdings met een of meer 100%-werkmaatschappijen. De Hoge Raad constateert dat in deze zaak sprake is van financiële en organisatorische verwevenheid en dat de onderlinge economische betrekkingen niet verwaarloosbaar zijn. Ook in dit geval is dus sprake van een fiscale eenheid.

Gevolgen uitspraak

Wanneer een school met haar BV een fiscale eenheid kan vormen voor de btw is dit over het algemeen gunstig. De BV’s in de zaken bij de Hoge Raad hadden anders btw moeten berekenen over de door hen ontvangen vergoeding voor de schoonmaakwerkzaamheden en het detacheren van personeel. De Belastingdienst weigerde in het algemeen scholen en hun BV’s aan te merken als fiscale eenheid. Met deze uitspraken van de Hoge Raad zou daar een einde aan moeten komen. Daarnaast is de tweede zaak van belang omdat de Hoge Raad daar nadere invulling geeft aan zijn eerdere jurisprudentie over economische verwevenheid. Het is echter niet precies duidelijk waar de ondergrens ligt. Wij verwachten dan ook dat in de toekomst nog geschillen kunnen ontstaan met de Belastingdienst over de invulling van dit begrip.

Meer informatie

Uiteraard zijn wij u graag behulpzaam om de gevolgen van deze uitspraak voor uw situatie in kaart te brengen. Neem hiervoor contact op met een van onze adviseurs.