Hof: Géén piek-eis bij vorming onderhoudsvoorziening

Artikel

Gepubliceerd: 
Al geruime tijd loopt er, met name in de woningcorporatiesector, een discussie met de Belastingdienst over de voorwaarden waaronder fiscaal een voorziening groot onderhoud kan worden gevormd. Het gerechtshof heeft, in navolging van de rechtbank in 2023, de woningcorporatie in het gelijkgesteld. Dit betekent dat bij de vorming van een onderhoudsvoorziening niet hoeft te worden beoordeeld of sprake is van een piek in de uitgaven.

Standpunten Belastingdienst

De fiscale voorwaarden voor de vorming van een voorziening zijn sinds het zogenoemde ‘baksteenarrest’ uit 1998 redelijk helder. Uit de hofuitspraak blijkt ook dat tussen de corporatie en de Belastingdienst niet ter discussie staat dat aan deze voorwaarden is voldaan. De inspecteur heeft echter het standpunt ingenomen dat bij een onderhoudsvoorziening aanvullende voorwaarden gelden. Concreet staan in de procedure drie vragen centraal:
  1. Is het voor de vorming van een onderhoudsvoorziening vereist dat de onderhoudsuitgaven in een jaar substantieel hoger zijn dan de gemiddelde jaarlijkse onderhoudsuitgaven (‘piekvereiste’)?
  2. Zo ja, moet dit piekvereiste worden getoetst per woning of op totaalniveau?
  3. Moet voor wat betreft de term ‘groot onderhoud’ worden uitgegaan van de definitie zoals deze in een oud arrest is opgenomen: “niet tot uitgaven leidend onderhoud, mits relatief van enige betekenis”?
Met name deze laatste vraag is verrassend. Deze is namelijk niet als standpunt ingenomen in de procedure bij de rechtbank. De Belastingdienst en de procederende woningcorporatie hebben deze rechtsvraag met een procedureel ‘trucje’ alsnog toegevoegd aan de procedure. Dit om te voorkomen dat hierover een nieuwe procedure moet worden gevoerd, met wederom jarenlange onzekerheid tot gevolg. Overigens lijkt ook met deze, wat lastig geformuleerde vraag, een ‘variant’ op het piekvereiste te worden bedoeld. 

Uitspraak Hof

Het Hof stelt de procederende woningcorporatie op alle punten in het gelijk. De Belastingdienst verdedigt het piekvereiste onder meer door een verwijzing naar de zogenoemde ‘kostenegalisatiereserve’. Dit is een wettelijke regeling op grond waarvan uitgaven kunnen worden verdeeld over meerdere jaren. Een van de wettelijke voorwaarden hiervoor is dat sprake is van een piek in de uitgaven. Het hof verwerpt dit standpunt door, naar onze mening terecht, te constateren dat sprake is van twee verschillende fiscale ‘fenomenen’. Doordat geen sprake is van een piekvereiste hoeft de tweede rechtsvraag niet door het hof te worden beoordeeld. 

Ook het standpunt van de Belastingdienst met betrekking tot de definitie van ‘groot onderhoud’ wordt door het hof verworpen. Deze definitie heeft de Belastingdienst namelijk ontleend uit een arrest over de kostenegalisatiereserve. Uit het oordeel met betrekking tot het piekvereiste blijkt dat de voorziening en deze reserve verschillende ‘fenomenen’ zijn, waardoor het oordeel van de Hoge Raad nadrukkelijk tot de kostenegalisatiereserve beperkt is.

Hoe nu verder?

Wat ons betreft is de uitspraak van het hof kristalhelder en we kunnen ons hier dan ook volledig in vinden. Het is nu afwachten op een definitief oordeel van de Hoge Raad.

Veel corporaties hebben een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten met de Belastingdienst. In deze VSO’s is afgesproken dat de voorziening gedurende de procedure wordt ‘bevroren’ op het gemiddelde van de voorziening met en zonder piekvereiste. In het jaar waarin de uitkomst van de procedure definitief wordt valt de voorziening vrij (bij winst Belastingdienst) of wordt deze verhoogd (bij winst corporatie). Ook hiervoor is het dus even afwachten wat de Hoge Raad zal oordelen.
 

Auteur(s)