Herziening op investeringsdiensten nu ook in het BCF
Herziening op investeringsdiensten nu ook in het BCF
Herziening op investeringsdiensten
In ons eerdere artikel is de nieuwe herzieningsregeling voor investeringsdiensten aan onroerende zaken uiteengezet. Met de nieuwe regeling moeten organisaties tot en met vier jaar na het jaar van ingebruikname bijhouden of de oorspronkelijke btw-aftrek moet worden herzien (‘gecorrigeerd’) vanwege een wijziging in het btw-belaste gebruik van het vastgoed in die periode. De nieuwe herzieningsregeling geldt voor diensten van ten minste € 30.000 die meerjarig nut bieden aan de onroerende zaak. Denk aan het plaatsen van een nieuwe keuken, het schilderen van een (gedeelte van een) gebouw, een verbouwing of renovatie.Herziening nu ook in het BCF
Opvallend was dat de nieuwe herzieningsregeling voor investeringsdiensten niet in het BCF werd opgenomen. Daardoor ontstond een hiaat in de wetgeving, dat we in het volgende voorbeeld duidelijk maken.
Een gemeente laat een deel van het gemeentehuis verbouwen voor € 100.000 (excl. € 21.000 btw) en neemt het in 2026 in gebruik voor volledig compensatiegerechtigde activiteiten. De gemeente compenseert de volledige € 21.000 btw op deze investeringsdienst via het BCF.
Vanaf 2027 gaat de gemeente dit deel van het gemeentehuis btw-belast verhuren aan een horecaondernemer die er een koffiecorner in exploiteert. De gemeente kan op basis van de herzieningsregels in de Wet OB in de jaren 2027 tot en met 2030 telkens 1/5de deel van de btw op de verbouwingsdienst terugvragen in haar btw-aangiften. Op basis van de huidige regelgeving hoeft de gemeente in het BCF geen btw terug te betalen. Op basis van de huidige regels kan de gemeente de btw op de verbouwingsdienst dus bijna twee keer (1 + 4/5de) terugkrijgen. Dat is uiteraard niet de bedoeling.
In de omgekeerde situatie wordt de gemeente echter onbedoeld benadeeld. De gemeente zou in de omgekeerde situatie namelijk de btw op de verbouwingsdienst in 2026 volledig in aftrek brengen, vervolgens in de jaren 2027 tot en met 2030 voor 4/5de moeten terugbetalen, maar de btw in het geheel niet kunnen compenseren via het BCF. Per saldo ontvangt de gemeente dan slechts 1/5de van de btw terug.
Om deze ongewenste situaties te voorkomen, past de wetgever de BCF-regels per 1 april 2026 aan. Vanaf dat moment kennen beide wetten dezelfde herzieningsregeling en doet het voordeel of het nadeel uit bovenstaand voorbeeld zich niet meer voor.
Toch nog enige onduidelijkheid
Een logische wijziging waarmee de wetgever een eerdere vergissing herstelt. Toch hebben wij nog twee vragen die niet duidelijk worden in de toelichting bij deze wijziging. De eerste ziet op de effectieve werking van de herziening op investeringsdiensten in het BCF. Bij de invoering in de btw-wetgeving werd duidelijk aangegeven dat deze herziening geldt voor investeringsdiensten die op of na 1 januari 2026 in gebruik worden genomen. Bij de invoering van dezelfde herzieningsregeling in het BCF is alleen aangegeven dat deze ingaat op 1 april 2026, maar is niet expliciet aangegeven dat deze regeling pas geldt voor investeringsdiensten die op of na 1 april 2026 in gebruik worden genomen. Wij vragen ons af of de nieuwe herzieningsregeling in het BCF daardoor ook mogelijk is voor investeringsdiensten die in de jaren 2022 tot en met 2025 in gebruik zijn genomen. Wij gaan er overigens van uit dat dat niet bedoeld zal zijn.Een tweede vraag ziet op de mogelijkheid om te stellen dat de herzieningstermijn tien jaar bedraagt, als dat voor de gemeente of provincie voordelig is. De herzieningstermijn bedraagt in principe vijf jaar, net als bij roerende investeringsgoederen. Voor de btw geldt echter de mogelijkheid om met een direct beroep op Europese jurisprudentie een herzieningstermijn te stellen van tien jaar. De staatssecretaris heeft die mogelijkheid ook erkend. Wij menen dat een gemeente of provincie ook voor de herzieningsregeling in het BCF een direct beroep kan doen op die jurisprudentie. Anders zou namelijk toch nog sprake kunnen zijn van een onevenwichtige werking tussen beide wetten, zoals het bovenstaande voorbeeld illustreert.


