Naast het Belastingplan 2027 zijn er ook enkele recente ontwikkelingen in wetgeving en rechtspraak die relevant kunnen zijn voor private equity-fondsen, investeerders en transactiestructuren. Zo heeft de Hoge Raad op 11 september duidelijkheid gegeven over de bepaling in de vennootschapsbelasting die ‘handel in verlieslichamen’ tegengaat. Volgens de hoofdregel van deze anti-verlieshandelbepaling kunnen verliezen niet meer verrekend worden met toekomstige winsten als het uiteindelijke belang in de belastingplichtige voor minimaal 30% wijzigt. Bij een kapitaalvennootschap, zoals een NV of BV, gaat het hier over een aandeelhouderswijziging van 30% of meer. Op deze hoofdregel bestaan verschillende uitzonderingen. Zo worden specifiek omschreven wijzigingen in het uiteindelijke belang niet meegeteld. Verder blijven de verliezen onder voorwaarden toch voorwaarts verrekenbaar als wordt voldaan aan diverse toetsen.
Duidelijk was dat deze beperking van de verliesverrekening in ieder geval ziet op verliezen die al definitief zijn gemaakt en vastgesteld. Met dit arrest van de Hoge Raad is nu duidelijk geworden dat deze beperking van de verliesverrekening ook geldt voor latent aanwezige verliezen welke nog niet zijn ‘gerealiseerd’ en welke pas zichtbaar worden na de aandelenwijziging. In deze casus ging het om latente verliezen op vastgoed, maar het oordeel van de Hoge Raad geldt voor alle vermogensbestanddelen.
Kort gezegd: een verlies kan ook onder de beperking vallen als het pas na de aandeelhouderswijziging materialiseert. Als de oorzaak van het verlies al vóór de aandeelhouderswijziging bestond, mag dat verlies niet worden gebruikt om winsten van latere jaren te verlagen wanneer die winsten ten goede komen aan de nieuwe aandeelhouders.
Belangrijk voor de transactiepraktijk is aldus dat ook latente verliezen die al vóór closing aanwezig zijn, maar pas later fiscaal zichtbaar worden, de waarde van de target en het verwachte gebruik van deze verliezen beïnvloeden. Dit betekent dat tijdens een due diligence onderzoek niet alleen naar de aangiften en vastgestelde verliezen gekeken moet worden, maar ook naar bijvoorbeeld afwaarderingen, voorzieningen, verlieslatende contracten of activa waarvan de waarde vóór closing al is gedaald. Zulke posten kunnen ertoe leiden dat verwachte fiscale voordelen na closing beperkter zijn dan gedacht.