Artikel

Gepubliceerd: 

De discussie over de inzet van zzp'ers blijft volop in beweging. Na de hervatting van de handhaving op schijnzelfstandigheid en de ontwikkelingen rondom de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR), ligt nu een nieuw wetsvoorstel op tafel: de Zelfstandigenwet. Het kabinet heeft het initiatiefwetsvoorstel van VVD, D66, CDA en SGP overgenomen en ter internetconsultatie aangeboden. Het voorstel beoogt meer duidelijkheid te geven over wanneer daadwerkelijk sprake is van zelfstandig ondernemerschap en wanneer niet.

Twee toetsen als toegang tot een 'veilige haven'

De Zelfstandigenwet introduceert een systeem met twee opeenvolgende toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Het doel van deze toetsen is om meer duidelijkheid te bieden over de vraag wanneer sprake is van werken als zelfstandige en wanneer een arbeidsrelatie als arbeidsovereenkomst kwalificeert.

Alleen wanneer aan beide toetsen wordt voldaan, geldt op grond van het wetsvoorstel dat geen sprake is van gezag en daarmee ook niet van een arbeidsovereenkomst. Wordt niet aan één of meer criteria voldaan, dan kan geen zekerheid worden ontleend aan de Zelfstandigenwet. In dat geval blijft de kwalificatie van de arbeidsrelatie afhankelijk van artikel 7:610 BW en de bestaande rechtspraak, waaronder het Deliveroo-arrest.

De beoogde inwerkingtredingsdatum van de Zelfstandigenwet is 1 januari 2028. Tot die tijd verandert er niets aan het huidige beoordelingskader. Opdrachtgevers en zelfstandigen blijven aangewezen op de bestaande wet- en regelgeving, de geldende rechtspraak en de handhaving door de Belastingdienst.

Zelfstandig ondernemerschap verder geconcretiseerd

Opvallend is dat met name de zelfstandigentoets verder is uitgewerkt dan in eerdere versies. Een werkende moet onder meer beschikken over kenmerken die wijzen op het werken als zelfstandige. Daarbij kan worden gedacht aan een inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, een btw-identificatienummer, een zakelijke bankrekening en het zelfstandig versturen van facturen.

Daarnaast wordt ondernemerschap nader geconcretiseerd door de eis dat de werkende (kort gezegd) in het lopende en vorige kalenderjaar werkzaamheden moet hebben verricht voor ten minste drie opdrachtgevers. Daarmee keert een bekend element uit de voormalige VAR-systematiek terug.

Een andere belangrijke voorwaarde is dat de zelfstandige investeert in voorzieningen die passen bij ondernemerschap. Het wetsvoorstel noemt onder meer pensioen en arbeidsongeschiktheid. Ook wordt gedacht aan verzekeringen zoals een aansprakelijkheids- of rechtsbijstandverzekering voor bedrijven.

Voor arbeidsongeschiktheid lijkt te worden aangesloten bij de minimumnormen uit het wetsvoorstel Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ). De daarbij behorende maximumpremie is voorlopig vastgesteld op € 171 per maand. De minimale bijdrage aan een pensioenvoorziening moet nog worden vastgesteld en vormt één van de onderwerpen van de internetconsultatie.

Meer aandacht voor werken voor eigen rekening en risico

De werkrelatietoets blijft grotendeels gebaseerd op reeds bekende criteria. Zo mogen partijen niet de bedoeling hebben om een arbeidsovereenkomst aan te gaan en moet de werkende voldoende vrijheid hebben om de werkzaamheden naar eigen inzicht in te richten als het gaat om werkwijze, werktijden en werkplek.

Daarbovenop komt het criterium dat de werkzaamheden voor eigen rekening en risico worden verricht. Daarbij wordt gekeken of de zelfstandige daadwerkelijk ondernemersrisico loopt en kan profiteren van ondernemerschap. Denk bijvoorbeeld aan het werken op basis van een resultaatsverplichting, aansprakelijkheid voor fouten of de financiële gevolgen van ondeugdelijk werk.

Wat betekent dit voor werkgevers?

Hoewel het wetsvoorstel zich nog in consultatie is, geeft het een duidelijke indicatie van de richting die de wetgever op wil. De beoordeling van arbeidsrelaties moet niet alleen afhangen van de wijze waarop het werk wordt verricht, maar ook van de vraag of de werkende zich gedraagt als zelfstandig ondernemer.

Met name de vereiste spreiding van opdrachtgevers, de investeringen in arbeidsongeschiktheids- en pensioenvoorzieningen en het dragen van ondernemersrisico’s zullen in de toekomst naar verwachting een belangrijkere rol spelen bij de beoordeling van arbeidsrelaties.

Ook doen organisaties er verstandig aan rekening te houden met de invoering van het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een laag uurtarief. Dit rechtsvermoeden zal per 1 januari 2027 in werking treden en is gekoppeld aan een tarief van € 38 per uur of minder (peildatum 1 januari 2026). Als gevolg hiervan brengen zzp’ers met een laag uurtarief binnenkort extra risico’s met zich mee.

Tot slot

Hoewel de Zelfstandigenwet een mogelijke nieuwe stap vormt in de beoordeling van arbeidsrelaties, verandert de huidige praktijk voorlopig niet. Organisaties doen er daarom verstandig aan om zich niet uitsluitend te richten op toekomstige wetgeving, maar vooral op de vraag wanneer en waarom zij zelfstandigen inzetten.

Daarbij blijft het van belang om keuzes rondom de inzet van zzp'ers zorgvuldig te onderbouwen, vast te leggen en periodiek te toetsen aan de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden. Niet alleen de overeenkomst, maar juist de dagelijkse praktijk blijft daarbij bepalend.

Een duidelijk en actueel zzp-beleid is daarom essentieel. Hiermee creëert een organisatie duidelijkheid voor opdrachtgevers, leidinggevenden en zelfstandigen en kan zij risico's rondom schijnzelfstandigheid beheersen. Wij denken graag mee over een praktisch en toekomstbestendig zzp-beleid dat past bij uw organisatie.

Heeft u vragen over de inzet van zzp'ers of wilt u weten welke gevolgen deze ontwikkelingen hebben voor uw organisatie? Neem dan gerust contact op met één van onze experts.

Auteur(s)

Ramy Mohamed
Sr. Manager Tax & Legal | Arbeidsrecht | Bureau Vaktechniek