Wanneer mag een zorgverlener het beroepsgeheim doorbreken?

Artikel

Gepubliceerd: 
Auteur(s): Elize Breugem
Het beroepsgeheim is belangrijk in de gezondheidszorg. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat persoonlijke informatie vertrouwelijk blijft. Toch kunnen zorgverleners soms voor een lastig dilemma komen te staan: wanneer mag het beroepsgeheim worden doorbroken? Recente uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) Zwolle laten zien hoe zorgvuldig die afweging moet worden gemaakt. 

Het juridisch kader beroepsgeheim 

Het medisch beroepsgeheim bestaat uit een zwijgplicht, welke inhoudt dat je alles wat je tijdens het werk over een patiënt te weten komt geheim houdt en dat in beginsel niemand daar toegang toe heeft. Daarbij geldt het verschoningsrecht. Dat is het recht om tegenover politie en justitie te zwijgen over deze informatie.  

Doorbreking van het beroepsgeheim is alleen in uitzonderlijke situaties toegestaan. Een bekende uitzondering is dat de arts door handhaving van het beroepsgeheim in een conflict van plichten terecht komen (bijvoorbeeld dat dit leidt tot een ernstig risico voor de patiënt of derden). 

Andere gronden voor doorbreking van het beroepsgeheim zijn (veronderstelde) toestemming van de patiënt, wettelijke spreekplicht en meldrecht en een zwaarwegend belang.  

De lat ligt daarbij hoog. Het is aan de zorgverlener om zorgvuldig te onderbouwen waarom aan deze voorwaarden is voldaan. 

Tuchtcollege: onvoldoende onderbouwing voor geheimdoorbreking 

In de kwestie die voorlag bij het RTG Zwolle was een patiënt wegens werkgerelateerde klachten in behandeling bij een ggz-instelling. Daar werd informatie over de patiënt gedeeld met diens voormalig werkgever en de politie. De patiënt verbleef vervolgens zes weken in voorlopige hechtenis. Ongeveer een jaar later seponeerde het Openbaar Ministerie de strafzaak wegens gebrek aan bewijs. 

De patiënt diende daarop klachten in tegen zes betrokken zorgverleners. Door hen werd een beroep gedaan op doorbreking beroepsgeheim op grond van een conflict van plichten.  

Bij de beoordeling of het beroepsgeheim op grond van een conflict van plichten kan worden doorbroken moet volgens het RTG Zwolle onder meer gekeken of: 
  • toestemming van de patiënt is gevraagd; 
  • sprake is van ernstige dreigende schade; 
  • de geheimhouder door handhaving van zijn zwijgplicht in gewetensnood verkeert; 
  • geen minder ingrijpende alternatieven beschikbaar zijn; 
  • de geheimdoorbreking noodzakelijk is om de schade te voorkomen of te beperken; en 
  • niet meer informatie wordt gedeeld dan strikt noodzakelijk. 
Er wordt een zelfstandige, kritische en kenbare toetsing van de voorwaarden voor het doorbreken van het beroepsgeheim verwacht.  

Het tuchtcollege oordeelde (in het kort) dat niet door alle zorgverleners aan de genoemde zorgvuldigheidseisen is voldaan en legt verschillende waarschuwingen op.  

Belangrijke les voor de praktijk 

Deze uitspraak benadrukt dat zorgen over mogelijke risico’s niet automatisch rechtvaardigen dat vertrouwelijke patiëntinformatie wordt gedeeld. Zorgverleners moeten zorgvuldig kunnen aantonen waarom doorbreking van het beroepsgeheim noodzakelijk is, welke alternatieven zijn onderzocht en waarom deze onvoldoende bescherming bieden. Dit geldt eveneens als een instantie, zoals de Raad van de Kinderbescherming, Veilig Thuis of de politie om informatie verzoekt. 

Voor zorgorganisaties is dit een belangrijke reminder dat het beroepsgeheim alleen in uitzonderlijke omstandigheden mag worden doorbroken en dat deze afweging zorgvuldig gemaakt moet worden.  

Auteur(s)