Voorkom btw-heffing bij schenking ondernemingsaandeel

Artikel

Gepubliceerd: 
Het Gerecht van de Europese Unie heeft recent uitspraak gedaan  over de btw-gevolgen in een casus over een bedrijfsoverdracht (via schenking) binnen de familie. In deze zaak schenkt een moeder haar onderneming aan haar twee dochters, die hun aandeel vervolgens inbrengen in een gezamenlijke vennootschap. De kernvraag is of deze opeenvolgende handelingen voor de btw kunnen worden aangemerkt als een overgang van een algemeenheid van goederen, waardoor geen btw verschuldigd is. 

Feiten van de zaak 

Een moeder schenkt haar volledige onderneming aan haar twee dochters, ieder voor 50%. Op het moment van de schenking zijn de dochters zelf geen btw-ondernemer. Beide dochters drijven wel gezamenlijk een onderneming in de vorm van vennootschap onder firma (VOF). Het is de bedoeling dat zij beiden het verkregen aandeel in de onderneming van hun moeder inbrengen in deze VOF, zodat de activiteiten van de onderneming van de moeder daarin worden voortgezet. 

De Poolse belastingdienst stelt zich op het standpunt dat de schenking aan btw is onderworpen. Volgens de belastingdienst ontvangt elke dochter slechts een deel van de onderneming waarmee zij geen zelfstandige economische activiteit kunnen uitoefenen. Bovendien wordt de onderneming feitelijk niet voortgezet door de dochters zelf, maar door de VOF waar ze de verkregen ondernemingsdelen inbrengen. Hierdoor rijst de vraag of de opeenvolgende handelingen afzonderlijk moeten worden beoordeeld, of dat zij samen kunnen worden gezien als één ondeelbare overgang van een algemeenheid van goederen (in de zin van artikel 19 Btw-richtlijn, in Nederland artikel 37d Wet OB). 

Uitspraak Gerecht 

Artikel 19 Btw-richtlijn is bedoeld om bedrijfsoverdrachten te vereenvoudigen en te voorkomen dat de verkrijger wordt geconfronteerd met een liquiditeitsnadeel doordat eerst btw moet worden voldaan. Het Gerecht oordeelt dat in deze zaak niet is voldaan aan de voorwaarden van een overgang van een algemeenheid van goederen. Toepassing van artikel 19 vereist ten eerste dat de overgedragen activa een zelfstandige economische activiteit mogelijk maken én ten tweede dat de verkrijger het voornemen heeft om die activiteit ook voort te zetten. Aan de eerste voorwaarde is in dit geval al niet voldaan. Twee personen kunnen niet elk zelfstandig een onverdeeld aandeel in een onderneming exploiteren. Volgens de eerdere conclusie van A-G zetten de dochters de onderneming in dit geval ook niet zelf voort, omdat zij hun aandeel direct inbrengen in de VOF. Maar omdat aan de eerste voorwaarde al niet voldaan is, heeft het Gerecht deze tweede voorwaarde niet verder onderzocht. 

Het Gerecht verwerpt ook de benadering waarbij de handelingen gezamenlijk als één transactie worden beschouwd. Hoewel dit vanuit economisch perspectief begrijpelijk kan zijn, is dit in strijd met het objectieve karakter van het btw-stelsel. Uitgangspunt is dat de opeenvolgende handelingen zelfstandig moeten worden beoordeeld. Ondanks dat de handelingen economisch samenhangen, mogen zij niet als één geheel worden aangemerkt. Beide dochters kunnen elk zonder de toestemming van de ander beschikken over hun eigen aandeel in de onderneming. Hieruit volgt dat het beiden vrijstaat om de tweede voorgenomen transactie – de inbreng in de vennootschap – al dan niet uit te voeren. Bovendien staat de tweede overdracht los van de eerste en zal deze op een later tijdstip plaatsvinden. De overdracht door de moeder aan de dochters en vervolgens de inbreng door de dochters in de VOF moeten daarom afzonderlijk worden beoordeeld. 

Gevolgen voor de praktijk 

Het arrest bevestigt dat voor de btw de afzonderlijke juridische stappen relevant zijn. Hoewel dergelijke structuren vaak worden vormgegeven als één doorlopende bedrijfsopvolging, moet je voor de btw de afzonderlijke transacties beoordelen. Doorslaggevend voor toepassing van artikel 19 Btw-richtlijn is dat de onderneming (of een zelfstandig deel daarvan) autonoom kan worden geëxploiteerd en dat deze wordt overgedragen aan een belastingplichtige die voornemens is om de activiteiten voort te zetten. Daarbij geldt dat de gekozen route bepalend is voor de btw-gevolgen. Het is niet mogelijk om achteraf aan te sluiten bij een alternatieve route die partijen ook hadden kunnen kiezen.  

Als artikel 19 Btw-Richtlijn toepassing mist, kan de overdracht van een onderneming in de vorm van een schenking aan meerdere verkrijgers kwalificeren als een fictieve levering voor de btw. Dit leidt dan tot btw-heffing bij de overdrager, terwijl de verkrijgers daarvoor geen recht op aftrek hebben. Dat de onderneming uiteindelijk wordt ingebracht in een vennootschap die btw-belaste prestaties verricht, maakt dit niet anders. 

Wat kunt u doen? 

Bij een bedrijfsoverdracht is het belangrijk om niet alleen naar de vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting te kijken, maar ook naar de btw-gevolgen. Wordt een onderneming eerst in onverdeeld eigendom overgedragen aan personen die de onderneming niet zelf voortzetten, maar inbrengen in een (personen)vennootschap, dan kan dit leiden tot btw-heffing. In sommige situaties kan een directe overdracht van de gehele onderneming aan de vennootschap die de onderneming voortzet (in dit geval de VOF) een oplossing zijn om btw-heffing te voorkomen. 

Meer weten? 

Wilt u weten wat dit betekent voor uw specifieke situatie? Neem dan contact op met een van de btw-specialisten van BDO. Wij denken graag met u mee.

Week van Waarde

Tijdens de Week van Waarde, hét kennisfestival voor ondernemers, delen we inzichten, trends en praktijkvoorbeelden die organisaties helpen toekomstbestendige keuzes te maken. 

Laat u op 9, 10, 12, 16 of 17 november inspireren tijdens onze themasessies over waardecreatie, maatschappelijke impact, regelgeving en duurzame groei.  Meld u aan via onderstaande button. 

Auteur(s)