Rechtspraak en evaluatie kabinet vragen om scherpere cliëntmedezeggenschap

Artikel

Gepubliceerd: 
Auteur(s): Elize Breugem
Recente rechtspraak én de beleidsreactie van het kabinet op de evaluatie van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018) maken duidelijk dat cliëntmedezeggenschap niet kan worden gezien als een formele verplichting aan de zijlijn. De kwaliteit van de cliëntenraad, de medezeggenschapsregeling en vooral de wijze waarop bestuurders daarmee omgaan, blijken bepalend voor goed bestuur en passende zorg. 

Recente rechtspraak over cliëntenraden

Dit beeld blijkt allereerst uit recente rechtspraak. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2026:2416) werd geoordeeld dat de Wmcz 2018 geen zelfstandige publiekrechtelijke grondslag biedt voor het beëindigen van het lidmaatschap van een cliëntenraad. Wanneer benoeming, schorsing en ontslag onvoldoende zijn uitgewerkt in de medezeggenschapsregeling of het huishoudelijk reglement, ontstaat onzekerheid over de positie van cliëntenraadsleden. De uitspraak onderstreept daarmee het belang van een zorgvuldig ingerichte medezeggenschapsregeling.

Ook de Ondernemingskamer liet het belang van duidelijke bevoegdheden zien (ECLI:NL:GHAMS:2025:2456). Hoewel een interne verhuizing niet onder het wettelijke adviesrecht viel, benadrukte de rechter dat betrokkenheid van de cliëntenraad ook buiten de wettelijke minimumeisen waardevol kan zijn. Medezeggenschap beperkt zich immers niet tot formele advies- en instemmingsrechten, maar draagt bij aan draagvlak en kwalitatief betere besluitvorming.

Daarnaast laat de Rotterdamse Woo-uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2025:13598) zien dat discussies over cliëntenraden vaak raken aan bredere governancevraagstukken, zoals onafhankelijkheid, transparantie en de verhouding tussen bestuur en medezeggenschap. Cliëntenparticipatie staat daarmee nadrukkelijk in verbinding met goed bestuur.

Kabinet: cultuurverandering blijft nodig

De beleidsreactie van het kabinet op de wetsevaluatie bevestigt dit beeld. Volgens het evaluatierapport biedt de Wmcz 2018 cliënten voldoende formele rechten en ruimte voor maatwerk. Het knelpunt zit niet in de wet zelf, maar in de uitvoering ervan. De daadwerkelijke invloed van cliëntenraden blijkt sterk afhankelijk van bestuurscultuur, houding van bestuurders en de praktische invulling van medezeggenschap.

Het kabinet benadrukt dat inspraak en medezeggenschap een wezenlijk onderdeel vormen van goed bestuur en van het systeem van checks and balances binnen zorgorganisaties. Besturen worden expliciet opgeroepen werk te maken van de cultuurverandering die de Wmcz 2018 beoogt. Daarbij geldt dat instellingen ten minste moeten voldoen aan de wettelijke minimumeisen; alternatieve of informele vormen van participatie mogen formele medezeggenschap niet vervangen.

Opvallend is verder dat het kabinet aankondigt de bekendheid van de Wmcz 2018 te vergroten, technische verduidelijkingen in de wet voor te bereiden en scherper toezicht te stimuleren. Ook wordt nadrukkelijk gewezen op de rol van de Governancecode Zorg, interne toezichthouders en de IGJ bij het borgen van een sterke positie van cliëntenraden.

Van wettelijke verplichting naar goed bestuur

Voor bestuur en management van zorgorganisaties ligt hier een duidelijke opdracht. Cliëntmedezeggenschap staat of valt met een actuele en duidelijke medezeggenschapsregeling. Die vormt de basis voor heldere bevoegdheden, procedures en samenwerking. Minstens zo belangrijk is echter een bestuurscultuur waarin de stem van cliënten daadwerkelijk wordt gehoord. Alleen dan komt cliëntmedezeggenschap tot zijn recht als wezenlijk onderdeel van goed bestuur in de zorg.
 

Auteur(s)