Re-integratie bij ziekte: van dag 1 tot einde wachttijd
Re-integratie bij ziekte: van dag 1 tot einde wachttijd
Bij langdurig ziekteverzuim rusten op zowel werkgever als werknemer verplichtingen om terugkeer naar werk mogelijk te maken. Deze verplichtingen volgen onder meer uit de Wet verbetering poortwachter (Wvp). Het doel is om arbeidsongeschikte werknemers zo snel en verantwoord mogelijk te laten terugkeren in het arbeidsproces.
Voor werkgevers kan het echter een behoorlijke uitdaging zijn om gedurende de wachttijd van 104 weken overzicht te houden op alle verplichtingen, termijnen en vereiste documentatie. Een zorgvuldige aanpak is daarom essentieel, niet alleen om de re-integratie succesvol te laten verlopen maar ook om risico’s - zoals een loonsanctie van het UWV - te voorkomen.
Uiterlijk in week 6 moet de bedrijfsarts een probleemanalyse opstellen waarin de belastbaarheid van de werknemer wordt vastgelegd. Daarbij staat niet zozeer de aard van de arbeidsongeschiktheid centraal, maar vooral de vraag welke werkzaamheden de werknemer nog wél kan verrichten en welke mogelijkheden er zijn voor werkhervatting. Deze analyse vormt de basis voor het verdere re-integratietraject.
Re-integratie is echter een dynamisch proces. De situatie van een werknemer kan gedurende het traject veranderen, waardoor het plan van aanpak regelmatig moet worden geëvalueerd en waar nodig moet worden aangepast. In de praktijk vinden deze evaluaties doorgaans iedere zes weken plaats. Bij deze evaluaties moet worden beoordeeld of de gekozen aanpak nog aansluit bij de actuele situatie en of aanvullende maatregelen wenselijk zijn.
Wanneer blijkt dat terugkeer binnen de eigen organisatie niet (langer) haalbaar is, ontstaat voor de werkgever de verplichting om ook re-integratie buiten de eigen organisatie te bevorderen. Dit zogenoemde tweede spoor, dat uiterlijk binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie moet worden opgestart, richt zich op het vinden van passend werk bij een andere werkgever en loopt parallel aan de re-integratie binnen de eigen organisatie. Het tijdig inzetten van een tweede-spoortraject is regelmatig onderwerp van discussie bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen door het UWV. Werkgevers doen er daarom verstandig aan hun afwegingen zorgvuldig vast te leggen en tijdig te beoordelen welke stappen noodzakelijk zijn.
In de praktijk blijkt dat niet alleen de verrichte inspanningen van belang zijn, maar ook de wijze waarop deze zijn vastgelegd. Een volledig en goed onderbouwd dossier speelt een belangrijke rol wanneer het UWV achteraf beoordeelt of voldoende is gedaan in het kader van de re-integratie.
Wanneer partijen niet volledig aan de verplichtingen voldoen, kunnen daar consequenties aan verbonden zijn. Zo kan het UWV aan de werkgever een loonsanctie opleggen waardoor de loondoorbetalingsverplichting met maximaal 52 weken wordt verlengd. Omgekeerd kan een werkgever onder omstandigheden het loon opschorten of stopzetten wanneer een werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt.
Bij de beoordeling van deze aanvraag kijkt het UWV niet alleen naar de mate van arbeidsongeschiktheid, maar ook naar de vraag of werkgever en werknemer voldoende re-integratie-inspanningen hebben geleverd. Deze beoordeling staat bekend als de poortwachterstoets. Wanneer het UWV oordeelt dat de werkgever onvoldoende inspanningen heeft geleverd, kan dit leiden tot een loonsanctie.
Voor werkgevers kan het echter een behoorlijke uitdaging zijn om gedurende de wachttijd van 104 weken overzicht te houden op alle verplichtingen, termijnen en vereiste documentatie. Een zorgvuldige aanpak is daarom essentieel, niet alleen om de re-integratie succesvol te laten verlopen maar ook om risico’s - zoals een loonsanctie van het UWV - te voorkomen.
Eerste stappen na de ziekmelding
Het re-integratietraject start op de eerste ziektedag. Zodra een werknemer zich ziekmeldt, dient de werkgever passende begeleiding te organiseren. Dat gebeurt veelal via een bedrijfsarts of arbodienst. Vanaf dat moment wordt tevens een verzuimdossier opgebouwd waarin alle re-integratie-inspanningen worden vastgelegd. De regie daarvoor ligt bij de werkgever.Uiterlijk in week 6 moet de bedrijfsarts een probleemanalyse opstellen waarin de belastbaarheid van de werknemer wordt vastgelegd. Daarbij staat niet zozeer de aard van de arbeidsongeschiktheid centraal, maar vooral de vraag welke werkzaamheden de werknemer nog wél kan verrichten en welke mogelijkheden er zijn voor werkhervatting. Deze analyse vormt de basis voor het verdere re-integratietraject.
Het plan van aanpak
Uiterlijk in week 8 stellen de werkgever en werknemer gezamenlijk een plan van aanpak op. Hierin leggen zij vast welke stappen worden gezet om terugkeer naar werk mogelijk te maken, welke doelen worden nagestreefd en welke verantwoordelijkheden daarbij voor beide partijen gelden.Re-integratie is echter een dynamisch proces. De situatie van een werknemer kan gedurende het traject veranderen, waardoor het plan van aanpak regelmatig moet worden geëvalueerd en waar nodig moet worden aangepast. In de praktijk vinden deze evaluaties doorgaans iedere zes weken plaats. Bij deze evaluaties moet worden beoordeeld of de gekozen aanpak nog aansluit bij de actuele situatie en of aanvullende maatregelen wenselijk zijn.
Eerste en tweede spoor
Gedurende het re-integratietraject ligt de focus in beginsel op terugkeer binnen de eigen organisatie. Dit wordt ook wel het eerste spoor genoemd. Daarbij kan sprake zijn van terugkeer in de eigen functie, eventueel met aanpassingen, of van passend werk in een andere functie binnen de organisatie.Wanneer blijkt dat terugkeer binnen de eigen organisatie niet (langer) haalbaar is, ontstaat voor de werkgever de verplichting om ook re-integratie buiten de eigen organisatie te bevorderen. Dit zogenoemde tweede spoor, dat uiterlijk binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie moet worden opgestart, richt zich op het vinden van passend werk bij een andere werkgever en loopt parallel aan de re-integratie binnen de eigen organisatie. Het tijdig inzetten van een tweede-spoortraject is regelmatig onderwerp van discussie bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen door het UWV. Werkgevers doen er daarom verstandig aan hun afwegingen zorgvuldig vast te leggen en tijdig te beoordelen welke stappen noodzakelijk zijn.
Eerstejaarsevaluatie als kantelpunt
Uiterlijk in week 52 vindt de eerstejaarsevaluatie plaats. Werkgever en werknemer blikken dan terug op het verloop van de re-integratie gedurende het eerste ziektejaar en bepalen welke koers in het tweede ziektejaar wordt gevolgd. Dit evaluatiemoment vormt vaak een belangrijk ijkpunt. Naarmate het ziekteverzuim langer duurt, wordt duidelijker of terugkeer binnen de eigen organisatie nog realistisch is of dat aanvullende stappen nodig zijn.Wederzijdse verplichtingen
De Wet verbetering poortwachter legt gedurende het gehele traject verplichtingen op aan zowel werkgever als werknemer. Van de werkgever wordt verwacht dat hij actief zoekt naar passende arbeid, de re-integratie faciliteert en alle relevante stappen zorgvuldig documenteert. Van de werknemer wordt verlangd dat hij meewerkt aan onderzoek door de bedrijfsarts, redelijke voorschriften naleeft en passend werk accepteert wanneer hij daartoe in staat is.In de praktijk blijkt dat niet alleen de verrichte inspanningen van belang zijn, maar ook de wijze waarop deze zijn vastgelegd. Een volledig en goed onderbouwd dossier speelt een belangrijke rol wanneer het UWV achteraf beoordeelt of voldoende is gedaan in het kader van de re-integratie.
Wanneer partijen niet volledig aan de verplichtingen voldoen, kunnen daar consequenties aan verbonden zijn. Zo kan het UWV aan de werkgever een loonsanctie opleggen waardoor de loondoorbetalingsverplichting met maximaal 52 weken wordt verlengd. Omgekeerd kan een werkgever onder omstandigheden het loon opschorten of stopzetten wanneer een werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt.
De WIA-aanvraag en de poortwachterstoets
In de laatste fase van de wachttijd wordt toegewerkt naar de WIA-aanvraag. Rond week 88 ontvangt de werknemer hierover bericht van het UWV. Vervolgens maken werkgever en werknemer een eindevaluatie op basis van een actueel oordeel van de bedrijfsarts en wordt het re-integratieverslag afgerond. Uiterlijk in week 93 dient de werknemer zijn WIA-aanvraag in.Bij de beoordeling van deze aanvraag kijkt het UWV niet alleen naar de mate van arbeidsongeschiktheid, maar ook naar de vraag of werkgever en werknemer voldoende re-integratie-inspanningen hebben geleverd. Deze beoordeling staat bekend als de poortwachterstoets. Wanneer het UWV oordeelt dat de werkgever onvoldoende inspanningen heeft geleverd, kan dit leiden tot een loonsanctie.
