Algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting in 2027 wordt maximaal € 3.154 (2026: € 3.115).
Arbeidskorting
De arbeidskorting in 2027 wordt maximaal € 5.929 (2026 € 5.685).
Tarieven inkomstenbelasting 2027 (Tussen haakjes de tarieven van 2026)
In het kader van de vrijheidsbijdrage en als dekking voor de compensatie van het lagere bedrag aan zorgpremies dat de overheid ontvangt, indexeert het kabinet de schijfgrenzen maar beperkt. De bovenste schijfgrens wordt zelfs niet geindexeerd. Daarnaast gaan de tarieven in de eerste twee schijven wat omhoog.
Belastingplichtigen geboren vanaf 1 januari 1946
Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan | maar niet meer dan | Tarief onder AOW-leeftijd | Tarief boven AOW-leeftijd |
- | € 39.247 (€ 38.883) | 36,23% (35,75%) | 18,33% (17,85%) |
€ 39.247 (€ 38.883) | € 78.426 (€ 78.426) | 38,16% (37,56%) | 38,16% (37,56%) |
€ 78.426 (€ 78.426) |
| 49,50% (49,50%) | 49,50% (49,50%) |
Belastingplichtigen geboren voor 1 januari 1946
Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan | maar niet meer dan | Tarief |
- | € 41.637 (€ 41.123) | 18,33% (17,85%) |
€ 41.637 (€ 41.123) | € 78.426 (€ 78.426) | 38,16% (37,56%) |
€ 78.426 (€ 78.426) |
| 49,50% (49,50%) |
Ouderenkorting
De ouderenkorting in 2027 wordt verlaagd naar maximaal € 1.993 (2026 € 2.067).
Verhogen aftrekpercentage energie-investeringsaftrek
Doelstelling van de energie-investeringsaftrek (EIA) is het stimuleren van investeringen in aangewezen energiebesparende bedrijfsmiddelen. Het aftrekpercentage van de EIA wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. Hiermee wordt het financieel nog aantrekkelijker voor bedrijven om investeringen te doen in energiebesparende maatregelen of duurzame energie.
Versoberen en afschaffen startersaftrek
Een ondernemer voor de inkomstenbelasting die aan het urencriterium voldoet, heeft recht op de zelfstandigenaftrek. Voor startende ondernemers wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met de startersaftrek. Om voor deze extra aftrekpost in aanmerking te komen, moet de ondernemer in één of meer van de vijf voorafgaande jaren geen ondernemer zijn geweest. Bovendien moet bij hem in die periode niet meer dan tweemaal de zelfstandigenaftrek zijn toegepast. Het kabinet stelt voor de startersaftrek af te schaffen. Omdat afschaffing per 1 januari 2027 niet uitvoerbaar is, wordt de startersaftrek per 1 januari 2027 fors verlaagd: van € 2.123 naar € 10. Per 1 januari 2028 wordt de startersaftrek afgeschaft.
Afschaffen van de fiscale regeling willekeurige afschrijving starters
Onder voorwaarden kunnen startende ondernemers in de inkomstenbelasting investeringen willekeurig afschrijven. Dit kan de startende ondernemer een liquiditeitsvoordeel opleveren. Het kabinet stelt voor om deze ‘fiscale regeling willekeurige afschrijving starters’ per 1 januari 2028 af te schaffen.
Afschaffen startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid
Een ondernemer voor de inkomstenbelasting heeft onder voorwaarden recht op de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid. Om voor deze aftrekpost in aanmerking te komen, moet onder meer sprake zijn van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, moet worden voldaan een (verlaagd) urencriterium en moet de ondernemer kwalificeren als starter. De aftrek bedraagt in het eerste jaar maximaal € 12.000, in het tweede jaar maximaal € 8.000 en in het derde jaar maximaal € 4.000. Het kabinet stelt voor de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid af te schaffen per 1 januari 2029.
Verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang bij zetelverplaatsing naar Nederland
Verplaatst een buitenlandse vennootschap haar werkelijke leiding naar Nederland, dan wordt de in het buitenland woonachtige aanmerkelijkbelanghouder buitenlands belastingplichtig voor de Nederlandse inkomstenbelasting. De verkrijgingsprijs van het aanmerkelijkbelangpakket moet dan worden bepaald.
Voorgesteld wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen vast te stellen op de waarde in het economische verkeer op moment van zetelverplaatsing. Zo wordt voorkomen dat Nederland heft over de waardeaangroei die vóór de zetelverplaatsing in het buitenland is ontstaan.
Deze step up geldt niet als de aandeelhouder eerder voor hetzelfde belang buitenlands belastingplichtig is geweest. Bij een "terugkeer" naar Nederland blijft de verkrijgingsprijs dan in beginsel de historische kostprijs. In die situatie kan evenwel de verkrijgingsprijs onder voorwaarden alsnog worden verhoogd. Deze nadere regels worden vastgelegd in lagere regelgeving.
Voorkomen samenloop onbelast overlijdensdividend en excessief lenen
Per 1 januari 2027 wordt een ongewenste samenloop tussen bovengemelde regelingen voorkomen. De regeling voor onbelast overlijdensdividend houdt in dat een erfgenaam die een aanmerkelijk belang erft binnen 24 maanden na het overlijden onder voorwaarden onbelast dividend uit de vennootschap kan ontvangen. Die onbelaste uitkering bedraagt maximaal het bedrag waarover bij de erflater is afgerekend. De verkrijgingsprijs van de erfgenaam wordt met hetzelfde bedrag verlaagd. De excessief-lenenmaatregel merkt schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan zijn eigen vennootschap boven € 500.000 aan als fictief dividend.
Tussen beide regelingen bestaat nu een ongewenste samenloop. Erfgenamen die een aanmerkelijk belang in een bv en een schuld aan die bv erven — of binnen de periode van 24 maanden aangaan — kunnen de faciliteit voor overlijdensdividend ook toepassen op een fictief dividend onder de excessief-lenenmaatregel terzake van die schuld. Dat past niet bij het doel van beide regelingen en pakt bovendien vaak nadelig uit: de heffing wordt slechts uitgesteld en bovendien kan bij een latere vervreemding van de aandelen dubbele heffing ontstaan.
Voorgesteld wordt daarom om per 1 januari 2027 wettelijk uit te sluiten dat fictief dividend als gevolg van excessief lenen onbelast onder de faciliteit voor overlijdensdividend kan worden gebracht.
Uitstel van besluitvorming box 3
In het pakket Belastingplan 2027 is geen nieuwe Box 3-maatregel opgenomen. Het kabinet geeft aan dat het nog niet is gelukt een voorstel uit te werken dat op voldoende politiek draagvlak kan rekenen. Daarom wordt het gesprek met de Tweede en Eerste Kamer voortgezet en volgt een afzonderlijk traject voor het Box 3-dossier.
Op dit moment betekent dit dat het huidige Box 3-systeem met een tegenbewijsregeling voorlopig blijft bestaan. Het kan zo zijn dat toch, zoals eigenlijk de bedoeling was, per 2028 de Wet werkelijk rendement (met deels een vermogensaanwasbelasting) wordt ingevoerd, maar er worden meer scenario’s geschetst. Begin 2027 zou er meer duidelijkheid moeten ontstaan, maar naar onze mening is het nog maar de vraag of dat realistisch is.
Geen wijziging tarief box 3
Het tarief in box 3 blijft 36%.
Tarief vennootschapsbelasting ongewijzigd
De tarieven voor de vennootschapsbelasting wijzigen niet en zijn in 2027:
| Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt het vennootschapsbelastingpercentage |
- | € 200.000 | 19% |
€ 200.000 |
| 25,8% |
Het ‘onzakelijkheidsvermoeden’ als onderdeel van de antimisbruikbepaling bij bedrijfsfusies en splitsingen vervalt
De vennootschapsbelasting bevat doorschuifregelingen voor fusies en splitsingen. Daarbij blijft acute heffing van vennootschapsbelasting bij de fusie of splitsing (zoveel mogelijk) achterwege en schuift de belastingclaim door naar de verkrijger(s). Voorwaarde is wel dat de fusie of splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (antimisbruikbepaling). Als bepaalde aandelen binnen drie jaar na de bedrijfsfusie of splitsing aan een echte derde worden vervreemd, geldt als veronderstelling dat zakelijke overwegingen ontbreken (onzakelijkheidsvermoeden). Het is dan aan de belastingplichtige om tegenbewijs te leveren. Lukt dit niet, dan wordt aangenomen dat sprake is van ‘misbruik’. Begin 2026 oordeelde de Hoge Raad dat het onzakelijkheidsvermoeden in strijd is met de Europese fiscale Fusierichtlijn. Daarom stelt het kabinet voor dit onzakelijkheidsvermoeden per 1 januari 2027 te schrappen. Tegelijkertijd vervalt ook de mogelijkheid voor belastingplichtigen om zekerheid vooraf te vragen dat geen sprake is van ‘misbruik’, ondanks een voorgenomen vervreemding van aandelen in de zin van het onzakelijkheidsvermoeden.
Aanpassing van de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten onder de deelnemingsvrijstelling
Op grond van de deelnemingsvrijstelling zijn voordelen uit hoofde van een deelneming onder voorwaarden vrijgesteld. Een deelneming is bijvoorbeeld een belang van minimaal 5% in een dochtervennootschap. Een voordeel dat voortkomt uit het valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen, is ook vrijgesteld op grond van de deelnemingsvrijstelling. In de praktijk wordt dit valutarisico soms afgedekt, bijvoorbeeld met een geldlening of een valutatermijncontract. De valutaresultaten die met een afdekkingsinstrument worden behaald, kunnen op verzoek en onder voorwaarden ook onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Een positief valutaresultaat op het afdekkingsinstrument is dan niet belast en een negatief resultaat op het afdekkingsinstrument is dan niet aftrekbaar. Het kabinet stelt voor om de fiscale behandeling van het valutaresultaat op afdekkingsinstrumenten onder de deelnemingsvrijstelling als volgt te wijzigen. Voor boekjaren die starten op of na 1 januari 2027 kan uitsluitend het 'niet-ingeprijsde' valutaresultaat van een rechtshandeling die strekt tot het afdekken van een valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen, onder de deelnemingsvrijstelling worden gebracht.
Dit betekent dat het 'ingeprijsde' valutaresultaat ter zake van dergelijke afdekkingsinstrumenten voortaan per definitie in de belaste sfeer zit. Het ingeprijsde valutaresultaat is bij het aangaan van de rechtshandeling te bepalen en houdt verband met de relatieve zwakte of sterkte van de betreffende valuta in vergelijking met de valuta waarin de belastingplichtige de fiscale winst berekent (meestal de euro). Het niet-ingeprijsde valutaresultaat is het verschil tussen de verwachte koersontwikkeling op het tijdstip van aangaan van het afdekkingsinstrument (ingeprijsd valutaresultaat) en de daadwerkelijke koersontwikkeling bij de latere afwikkeling van het afdekkingsinstrument. Tegelijk met deze inhoudelijke aanpassing stelt het kabinet voor om de toepassing van de deelnemingsvrijstelling ten aanzien van afdekkingsinstrumenten op een aantal punten aan te vullen en te verduidelijken.
Voor bestaande afdekkingsinstrumenten wordt een overgangsregeling voorgesteld. Hierdoor blijft een eventueel ingeprijsd voordeel dat toerekenbaar is aan de periode vóór het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2027 vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling, ook als dat voordeel pas na die periode hoeft te worden verantwoord op basis van de fiscale regels. Tegelijkertijd wordt met een andere overgangsmaatregel anticipatiegedrag door belastingplichtigen de pas afgesneden.
Verruimen forfaitaire regeling in de innovatiebox
De innovatiebox is een optionele regeling in de vennootschapsbelasting waarbij voordelen uit zelfontwikkelde immateriële activa effectief tegen een verlaagd tarief belast kunnen worden. Het vaststellen van de omvang van die voordelen kan leiden tot hoge administratieve lasten. Om hieraan tegemoet te komen, wordt belastingplichtigen de mogelijkheid geboden om de voordelen die in de innovatiebox vallen op forfaitaire wijze te bepalen. In dat geval worden de voordelen gesteld op 25% van de winst, met een maximum van € 25.000. Het maximum geldt per jaar en per belastingplichtige. De forfaitaire regeling mag per immaterieel activum gedurende drie jaar worden toegepast. Het kabinet stelt voor het maximale forfaitaire bedrag in de innovatiebox per 1 januari 2027 te verhogen tot € 100.000.
Afschaffing renteaftrekbeperking voor woningcorporaties
Het kabinet heeft aangekondigd dat de generieke renteaftrekbeperking vanaf 2028 niet langer van toepassing is op woningcorporaties. Deze maatregel moet de investeringscapaciteit van corporaties aanzienlijk versterken en bijdragen aan de realisatie van de grote maatschappelijke opgaven op het gebied van woningbouw en verduurzaming.
De voorgestelde wijziging is nog niet opgenomen in het Belastingplan 2027. Het kabinet heeft aangegeven deze op een later moment via een Nota van Wijziging toe te voegen. Dit zorgt ervoor dat woningcorporaties in hun begroting (‘dPi’) 2026 rekening mogen houden met deze aanpassing, die een positieve impact heeft op de vennootschapsbelastingkasstroom, en daarmee op de ratio’s.
Aangezien nog geen sprake is van een concreet voorstel, blijft het nodige onduidelijk. Zo weten we nog niet hoe in de voorgenomen wijziging wordt omgegaan met in het verleden voortgewentelde rente. We volgen de ontwikkelingen op dit punt nauwgezet.
‘Verduidelijking’ onderzoeksvrijstelling vennootschapsbelasting
In de vennootschapsbelasting zijn vrijstellingen opgenomen voor instellingen die bekostigd onderwijs en/of onderzoek uitvoeren. Een van de voorwaarden voor toepassing van deze vrijstellingen is dat het onderwijs/onderzoek voor minimaal 70% wordt gefinancierd uit kwalificerende middelen (ook wel aangeduid als de ‘bekostigingseis’).
Op dit moment kwalificeren ‘publieke middelen’ (bijdragen van overheden) per definitie voor de bekostigingseis. Voorgesteld wordt om voor publieke middelen de aanvullende voorwaarde te stellen dat geen contractuele tegenprestatie wordt gevraagd. Met andere woorden: ontvangen bijdragen van overheden voor de uitvoering van contractonderzoek kwalificeren niet langer voor de beoordeling van deze eis.
Deze ‘verduidelijking’ is feitelijk een aanscherping van de voorwaarden, en is een reparatie naar aanleiding van een hofuitspraak. Hof Amsterdam oordeelde namelijk op 17 februari 2026 dat de voorwaarde dat bij publieke middelen geen sprake mag zijn van een contractuele tegenprestatie niet uit de wet volgt en daarom niet kan worden gesteld.
Afschaffing bosbouwvrijstelling
Op dit moment geldt zowel in de inkomstenbelasting als in de vennootschapsbelasting een vrijstelling voor resultaten behaald uit een ‘bosbedrijf’. In de loop der jaren is uit jurisprudentie gebleken dat het begrip ‘bosbedrijf’ ruim moet worden uitgelegd. Dit leidt er volgens de wetgever toe dat de vrijstelling veel wordt toegepast door niet-bosbouwbedrijven. In combinatie met de relatief hoge uitvoeringslasten is de vrijstelling negatief geëvalueerd, onder meer door onderzoeksbureau SEO. Daarom wordt voorgesteld om deze vrijstelling per 2029 volledig af te schaffen.
Teruggaafregeling dividendbelasting voor u-bochtbeleggers
In Nederland woonachtige natuurlijke personen of in Nederland gevestigde lichamen die via een buitenlandse beleggingsinstelling dividenden afkomstig uit Nederland ontvangen (‘Nederlandse dividenden’), worden ook wel Nederlandse achterliggers of u-bochtbeleggers genoemd. De Hoge Raad oordeelde in 2024 dat deze Nederlandse dividenden op basis van het EU-recht bij hen in economische zin niet zwaarder mogen worden belast, dan wanneer zij via een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling zouden beleggen. Een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling kan de op haar ingehouden dividendbelasting namelijk in mindering brengen op haar eigen afdracht, terwijl een buitenlandse beleggingsinstelling die mogelijkheid niet heeft. Naar aanleiding van dit arrest wordt voorgesteld om een teruggaafregeling voor deze Nederlandse dividenden in de wet op te nemen. De regeling gaat in op 1 januari 2027. Voor eerdere jaren kan onder voorwaarden een beroep worden gedaan op het arrest. De teruggaaf moet worden aangevraagd bij de Belastingdienst en wordt in beginsel berekend met een vaste rekenmethode (formule). Als aannemelijk wordt gemaakt dat de werkelijke belastingdruk hoger is dan uit de vaste rekenmethode volgt, kan in plaats daarvan het verschil worden teruggevraagd. Voorwaarde is dat de belegger uiteindelijk gerechtigd is tot de uitkering. Voor Nederlandse lichamen gelden aanvullende voorwaarden en beperkingen voor de teruggaaf.
Codificatie veiligehavenregels
Het wetsvoorstel ‘Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024’ verwerkt het internationaal overeengekomen ‘Side-by-Side-pakket’ in de Wet minimumbelasting 2024 (Pijler 2), die geldt voor multinationale en omvangrijke binnenlandse groepen met een geconsolideerde omzet van ten minste € 750 miljoen.
Het voorstel codificeert vier veiligehavenregels en verlengt een bestaande regeling:
Voor de praktijk betekent dit dat de compliance rond de minimumbelasting op onderdelen kan worden verlicht, maar dat per jurisdictie moet worden beoordeeld of aan de voorwaarden wordt voldaan. De kwalificerende binnenlandse bijheffing (‘QDMTT’) blijft onverkort gelden, zodat voor Nederlandse groepsentiteiten nog steeds een volledige berekening nodig kan zijn. Het wetsvoorstel maakt deel uit van het pakket Belastingplan 2027 en treedt in werking op 1 januari 2027, waarbij onderdelen terugwerken tot en met 1 januari 2026 respectievelijk 31 december 2025 en voor het eerst gelden voor verslagjaren die op of na die data aanvangen.
Afschaffen laag btw-tarief sierteelt
In lijn met het coalitieakkoord ‘Aan de slag’ stelt het kabinet voor het verlaagde btw-tarief van 9% voor sierteeltproducten per 1 januari 2028 te laten vervallen. Vanaf die datum geldt het algemene tarief van 21% voor onder meer bloembollen, snijbloemen, kamer- en balkonplanten en boomkwekerijproducten zoals kerstbomen. Dit geldt ook bij de invoer van deze producten. Voor de export naar het buitenland verandert niets: het nultarief blijft daarop van toepassing. De voorgestelde wijziging is een beweging naar een meer uniform btw-tarief. Voor bloemisten en tuincentra zal dit leiden tot een (beperkte) vereenvoudiging, omdat zij bij samengestelde prestaties waarbij zowel het verlaagde als het algemene btw-tarief van toepassing is niet langer hoeven te splitsen. Wel zal de maatregel naar verwachting een negatief effect hebben op de winstverwachting van met name kleinere bloemisten en mogelijk op bloemisten en tuincentra in de grensregio’s.
Afschaffing verlaagd btw-tarief ballonvaarten
Het kabinet wil het verlaagde btw-tarief op ballonvaarten afschaffen, omdat deze niet past binnen de doelstellingen voor het verlaagde tarief voor personenvervoer. De andere vormen van personenvervoer zijn namelijk gericht op een vervoersdienst om iemand ergens naartoe te vervoeren. Ballonvaarten vormen meer een beleving. De maatregel moet ingaan per 1 januari 2028. Wordt vooruitbetaald, dan geldt het btw-tarief dat geldt van het moment waarop de ballonvaart plaatsvindt. Datzelfde geldt voor vouchers voor enkelvoudig gebruik die vóór 1 januari 2028 worden verkocht en die pas op of na 1 januari 2028 kunnen worden verzilverd.
Introductie jaarlijkse indexatie alcoholaccijns
Anders dan bijvoorbeeld de accijns op benzine worden de tarieven van de alcoholaccijns op dit moment niet automatisch geïndexeerd. Daardoor neemt de reële belastingdruk door inflatie geleidelijk af. Het kabinet stelt voor de tarieven van de alcoholaccijns vanaf 2027 jaarlijks te indexeren, zodat de reële waarde van deze tarieven behouden blijft.
Afschaffing kleine brouwersregeling
Voor bier van kleine zelfstandige brouwerijen die per jaar gemiddeld niet meer dan 200.000 hectoliter bier produceren geldt sinds 2008 een lager accijnstarief. Het kabinet is voornemens om deze ‘kleine brouwersregeling’ met ingang van 1 januari 2028 af te schaffen.
Beëindiging teruggaafregeling bio- en hernieuwbare brandstoffen
Deze teruggaafregeling van accijns voor motorbrandstoffen die een aandeel duurzaam geproduceerde biobrandstoffen of hernieuwbare brandstoffen bevatten wordt beëindigd omdat de nadelen (complexiteit, arbeidsintensiviteit, foutgevoeligheid) in de praktijk zwaarder wegen dan de doelstelling van deze regeling. De regeling wordt ook maar zeer beperkt gebruikt.
Verlaging overdrachtsbelasting van 8% naar 7% voor tweede woning
Het tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen waarin de verkrijger niet zelf duurzaam gaat wonen, wordt per 1 januari 2027 verlaagd van 8% naar 7%. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aankoop van een vakantiewoning of een woning bestemd voor verhuur aan derden. Deze verlaging was al aangekondigd in het coalitieakkoord. Voor andere onroerende zaken, en dus ook voor de zogenaamde ‘eigen woning’(hoofdverblijf), blijft het tarief ongewijzigd. Aanvullend merken wij op dat vorig jaar al besloten is om de grens van de zogenaamde startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting te verhogen van nu € 555.000 naar € 615.000 per 1 januari 2027.
Vrijstelling overdracht DAEB-bezit tussen woningcorporaties
Voorgesteld wordt om overdrachten van DAEB-bezit (zoals sociale huurwoningen) tussen woningcorporaties vanaf 1 januari 2027 vrij te stellen van overdrachtsbelasting. Deze vrijstelling vervangt voor woningcorporaties de huidige ‘taakoverdrachtvrijstelling’, waarover de afgelopen tijd veel discussie is gevoerd. De voorgestelde ‘DAEB-vrijstelling’ stelt geen nadere voorwaarden.
In eerste instantie lijkt sprake van een verruiming van de huidige vrijstelling, aangezien geen aanvullende eisen worden gesteld. In bepaalde gevallen is het echter voordeliger om de huidige taakoverdrachtsvrijstelling toe te passen. In dat geval kan immers (onder voorwaarden) in bepaalde situaties ook niet-DAEB-bezit worden overgedragen zonder heffing van overdrachtsbelasting. Wij adviseren dan ook om bij een voorgenomen overdracht tussen corporaties te beoordelen welke vrijstelling het meest voordelig is. Door actief te sturen op het moment van overdracht kan hier immers een keuze tussen worden gemaakt.
Tijdelijke verlaging MRB voor bestelauto’s en vrachtauto’s
Er wordt een tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting (mrb) voorgesteld voor twee categorieën motorrijtuigen die in belangrijke mate worden gebruikt in de bedrijfsuitoefening. Het betreft ten eerste een tijdelijke halvering van het tarief van de mrb voor bestelauto’s van ondernemers. Ten tweede wordt het tarief van de mrb voor vrachtauto’s tijdelijk op nihil gesteld. Deze maatregelen dienen ter verlichting van de gestegen brandstofprijzen als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten. Het gaat om een tegemoetkoming in de vaste lasten van het voertuiggebruik. De maatregelen zijn uitdrukkelijk niet bedoeld als structurele verlaging van de mrb. Met ingang van 1 januari 2027 herleeft het reguliere wettelijke stelsel.
De voorgestelde maatregelen gelden voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026. Omdat het Belastingplan 2027 pas met ingang van 1 januari 2027 in werking treedt, is vooruitlopend op deze wetgeving bij beleidsbesluit goedgekeurd dat de verlaagde tarieven al vanaf 1 juli 2026 worden toegepast. Met dit wetsvoorstel wordt die goedkeuring alsnog voorzien van een wettelijke grondslag.
Tijdelijk verlagen vrachtwagenheffing
Sinds 1 juli 2026 is de vrachtwagenheffing van kracht. Houders van een vrachtwagen betalen sinds die datum een heffing, waarvan de hoogte wordt bepaald door het tarief dat voor de betreffende vrachtwagen geldt, vermenigvuldigd met het aantal kilometers dat de betreffende vrachtwagen rijdt op de heffingsplichtige wegen. In het Belastingplan 2027 wordt een al eerder (door middel van een goedkeurend beleidsbesluit) doorgevoerde tijdelijke verlaging van de vrachtwagenheffing gecodificeerd. Concreet zijn alle tariefcomponenten van de vrachtwagenheffing onderhevig aan een verlaging van 22,3% voor de periode 1 september tot en met 31 december 2026.
Nader inregelen van het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM)
Sinds 1 oktober 2023 geldt de Europese CBAM-verordening. Dit heeft als doel om koolstoflekkage te voorkomen door een koolstofprijs te heffen op ingevoerde goederen uit landen van buiten de EU, zodat Europese bedrijven eerlijker kunnen concurreren en derde landen worden gestimuleerd om vergelijkbare klimaatmaatregelen te treffen. Per 1 januari 2026 is CBAM volledig operationeel geworden. Naar aanleiding van kritiek van de Raad van State op het regelen van verstrekkende uitvoeringsbevoegdheden via een ministeriële regeling, worden de relevante bepalingen alsnog op wetsniveau vastgelegd.
Wijziging verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw
In het voorjaar van 2025 is afgesproken dat de glastuinbouw wordt gecompenseerd voor de meerprijs van groen gas via aanpassing van de verlaagde energiebelastingtarieven. Het kabinet heeft ervoor gekozen om met het wetsvoorstel Belastingplan 2027 enkel de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas voor 2027 te compenseren via de energiebelasting. Indien de bijmengverplichting groen gas niet per 1 januari 2027 wordt ingevoerd, vindt de compensatie via de energiebelasting in 2027 geen doorgang.
Verduidelijking in de CO2-heffing glastuinbouw
Het kabinet stelt voor te verduidelijken wie belastingplichtig is voor de CO2-heffing glastuinbouw bij samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap of vennootschap onder firma. In de wet wordt verduidelijkt dat de belastingplicht rust op degene die het glastuinbouwbedrijf als onderneming drijft. Bij een personenvennootschap is daarmee de personenvennootschap belastingplichtig en vindt geen toerekening plaats aan de achterliggende maten of vennoten. De wijziging heeft geen gevolgen voor de grondslag of de hoogte van de verschuldigde heffing.
Wilt u weten wat deze plannen concreet voor uw situatie betekenen? Neem dan contact op met uw BDO-adviseur.