HvJ verduidelijkt antimisbruikbepaling in moeder-dochterrichtlijn
HvJ verduidelijkt antimisbruikbepaling in moeder-dochterrichtlijn
Inleiding
Op 15 oktober 2026 heeft het Hof van Justitie van de EU (HvJ) arrest gewezen in de zaak NEO Group (C-203/25) over de toepassing van de antimisbruikbepaling in de moeder-dochterrichtlijn (MDR). Dit arrest bouwt voort op de arresten T Danmark en Y Denmark (C-116/16 en C-117/16) en vooral op Nordcurrent (C-228/24, zie hierover ons eerdere nieuwsbericht), maar bevat ook enkele nieuwe elementen. Het arrest is onder meer van belang voor de uitleg van de Nederlandse antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en de vennootschapsbelasting. Wij bespreken hieronder per dictum wat het HvJ oordeelt en wat dit betekent voor de praktijk.
De zaak in het kort
De Litouwse NEO Group keerde dividend uit aan haar Cypriotische moedervennootschap Retal en paste daarbij een bronbelastingvrijstelling toe. Retal oefende een reële economische activiteit uit en was dus geen doorstroomvennootschap. Boven Retal vond echter een reeks transacties plaats. De aandelen in Retal werden verkocht aan een kort daarvoor opgerichte Cypriotische holding, waarbij de betaling van de koopprijs werd uitgesteld. De vordering op de koopprijs kwam in handen van een in Cyprus wonende natuurlijke persoon, die uiteindelijk zeggenschap had over alle betrokken vennootschappen. Retal keerde over een langere periode dividenden uit aan de nieuwe holding, in bedragen die vergelijkbaar waren met de dividenden uit Litouwen. Via leningen en een overdracht van rechten kwamen die gelden uiteindelijk bij de natuurlijk persoon terecht, waarmee de koopprijsschuld werd afgelost. Volgens de Litouwse belastingdienst ging het om een kunstmatige keten van transacties, die buiten Litouwen plaatsvond en erop gericht was de Litouwse bronbelasting over de dividenden te ontwijken. Daarom werd de bronbelastingvrijstelling geweigerd. De Litouwse rechter heeft het HvJ vervolgens gevraagd of dit verenigbaar is met de antimisbruikbepaling van de MDR.
Het oordeel van het HvJ
Het HvJ beantwoordt de gestelde vragen van de Litouwse rechter gegroepeerd in vier hoofdpunten. Met deze antwoorden moet de Litouwse rechter uiteindelijk beoordelen of in de zaak zelf sprake is van misbruik. Wij bespreken hierna de vier hoofdpunten.
- Reële economische activiteit van de dividend ontvangende moedervennootschap sluit misbruik niet uit
De antimisbruikbepaling van de MDR staat toe dat de bronstaat bronbelasting heft over dividenden die een dochtervennootschap uitkeert aan haar moedervennootschap in een andere lidstaat, als die moedervennootschap deelneemt aan een keten van transacties waarvan alle of sommige kunstmatig zijn en de dividenden aan het einde daarvan worden overgedragen aan de natuurlijk persoon of rechtspersoon die direct of indirect zeggenschap heeft over alle betrokken vennootschappen. Dit geldt ook als de moedervennootschap daadwerkelijk een economische activiteit uitoefent en dus geen doorstroomvennootschap is.
Interessant is verder dat een belastingverdrag dat tussen de betrokken staten is gesloten (en gebaseerd is op het OESO-modelverdrag), volgens het HvJ niet kan worden ingeroepen om een resultaat te bereiken dat in strijd is met het Unierecht.
- Overeenstemmende bedragen en doorbetalingen over een langere periode zijn relevante aanwijzingen van een kunstmatige constructie
Als een dochtervennootschap dividend uitkeert aan haar moedervennootschap, wordt dit vaak verder door-uitgekeerd in de structuur. De volgende feiten kunnen volgens het HvJ in zo’n geval relevante aanwijzingen opleveren op grond waarvan de belastingdienst een kunstmatige constructie kan vaststellen:
- Het feit dat de bedragen binnen een keten van transacties, waarvan alle of sommige kunstmatig zijn, worden doorgegeven, en (ver)gelijk(baar) zijn aan de uitgekeerde dividenden.
- Het feit dat die doorbetalingen weliswaar niet kort na de dividenduitkering plaatsvinden, maar gedurende een ononderbroken periode.
Hierbij is wel vereist dat de belastingdienst een objectieve analyse maakt van alle relevante feiten en omstandigheden om na te gaan of de bestanddelen van misbruik aanwezig zijn. De bewijslast dat sprake is van misbruik rust namelijk primair op de belastingdienst die het MDR-voordeel wil weigeren.
Een constructie waarvan de gevolgen zich over een langere periode herhalen, ondermijnt het doel of de toepassing van de MDR niet minder dan een eenmalige constructie. De belastingdienst hoeft zich daarom niet te beperken tot een korte periode, en moet bij een aanpassing van de concernstructuur met leningen juist alle elementen van de constructie in zijn onderzoek betrekken. Tegelijk benadrukt het HvJ dat dergelijke aanwijzingen niet kunnen leiden tot een algemeen vermoeden van misbruik.
- Ook transacties buiten de bronstaat tellen mee en het belastingvoordeel kan elders in de keten liggen
De antimisbruikbepaling van de MDR kan ook van toepassing zijn als de transacties die als kunstmatig worden aangemerkt, niet in de bronstaat hebben plaatsgevonden, maar zijn verricht door natuurlijke personen of rechtspersonen die daar niet zijn gevestigd. Dat geldt ook voor transacties van de persoon die aan het einde van de keten profiteert van de vrijstelling van de dividenden. Het maakt daarbij niet uit in welke fase van de keten dat belastingvoordeel wordt verkregen.
Omdat de MDR per definitie grensoverschrijdende situaties betreft, moet de belastingdienst in de bronstaat een alomvattend onderzoek verrichten dat ook transacties omvat die – vóór of na de dividenduitkering – buiten zijn grondgebied zijn verricht. Het belastingvoordeel hoeft niet te liggen bij de uitkerende dochtervennootschap die de vrijstelling heeft ingeroepen. Zonder deze uitleg zou de bronstaat zulke ongerechtvaardigde voordelen niet kunnen tegengaan.
Het HvJ vult overigens niet nader in wanneer een belastingvoordeel het doel of de toepassing van de MDR wel of niet ondermijnt. Voor het doel van de richtlijn verwijst het naar het vrijstellen van dividenden van bronbelasting en het voorkomen van dubbele belasting, om hergroeperingen van vennootschappen op Unieniveau te vergemakkelijken.
- Uitkerende dochtervennootschap hoeft niet op de hoogte te zijn van het misbruik; kennis bij één deelnemer in de keten volstaat
De antimisbruikbepaling van de MDR kan van toepassing zijn, zonder dat hoeft te worden vastgesteld dat de uitkerende dochtervennootschap wist of had kunnen weten dat de uitkering deel uitmaakte van een keten van transacties, waarvan alle of sommige kunstmatig zijn en die met een fiscaal hoofddoel is opgezet. Voorwaarde is wel dat wordt aangetoond dat ten minste één van de concernvennootschappen die aan de keten deelnemen, of de natuurlijke persoon die aan het einde van de keten het voordeel geniet, daarvan op de hoogte was of had kunnen zijn.
Wat betekent dit voor u?
Dit arrest geeft meer duiding aan het toepassingsbereik van de antimisbruikbepaling van de MDR. Dit is ook relevant voor Nederland, omdat de antimisbruikbepaling is geïmplementeerd in de inhoudingsvrijstelling voor internationale situaties in de dividendbelasting en in een specifieke antimisbruikregeling voor buitenlands belastingplichtige lichamen in de vennootschapsbelasting (technische a.b.-regeling). Het arrest kan ook uitstralen naar de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Het HvJ geeft in dit arrest geen algemene maatstaf, maar aanwijzingen die steeds in samenhang met alle feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Of, en zo ja op welke wijze, het arrest gevolgen heeft voor een concrete situatie, vraagt om een zorgvuldige analyse van de structuur, de geldstromen en de achtergrond van de afzonderlijke stappen. Dat geldt ook voor de stappen die buiten Nederland elders in de structuur plaatsvinden.
Wij adviseren de zakelijke redenen van de structuur en van de afzonderlijke stappen daarin op concernniveau vast te leggen, ongeacht of (op korte termijn) daadwerkelijk dividenden zijn of worden uitgekeerd. Dit arrest is in ieder geval relevant voor (lopende) discussies met de belastingdienst over genoemde inhoudingsvrijstelling en technische a.b.-regeling. Los daarvan is het raadzaam te laten beoordelen welke gevolgen dit arrest potentieel heeft voor uw organisatie.
Heeft u vragen? Neem dan contact op met uw BDO-adviseur.

