Hoge Raad corrigeert antimisbruikbepaling bij splitsing
Hoge Raad corrigeert antimisbruikbepaling bij splitsing
Op 27 februari 2026 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een onderdeel van de nationale antimisbruikbepaling, die is verbonden aan de doorschuifregeling voor juridische splitsingen in de vennootschapsbelasting, in strijd is met het Europees recht. In dit artikel gaan wij hier nader op in.
Deze doorschuifregeling kan alleen worden toegepast als de juridische splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Dit wordt de antimisbruikbepaling genoemd. Als aandelen in de gesplitste rechtspersoon of in de verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing worden vervreemd aan een niet-verbonden lichaam (echte derde), wordt aangenomen dat de splitsing niet zakelijk was. Het is dan aan de belastingplichtige om het tegendeel aannemelijk te maken. Als dat niet lukt, geldt de veronderstelling dat de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Als de belastingplichtige er niet in slaagt dit te weerleggen, kan de doorschuifregeling niet worden toegepast. Er wordt dan alsnog vennootschapsbelasting geheven over de splitsingswinst.
Het oordeel van de Hoge Raad gaat over de splitsingsregeling in de vennootschapsbelasting, maar kan worden doorgetrokken naar de doorschuifregeling voor bedrijfsfusies in de vennootschapsbelasting. Die doorschuifregeling bevat namelijk een inhoudelijk gelijke antimisbruikbepaling met dezelfde Europeesrechtelijke achtergrond.
Contact
Doorschuifregeling voor juridische splitsingen in de vennootschapsbelasting
Voor juridische splitsingen bevat de vennootschapsbelasting een doorschuifregeling. Het toepassen daarvan betekent in de kern dat op het moment van de juridische splitsing geen (of zo min mogelijk) vennootschapsbelasting wordt geheven. De belastingclaim schuift door naar de verkrijgende rechtspersoon of rechtspersonen. Er is dan sprake van een fiscaal gefaciliteerde juridische splitsing.Deze doorschuifregeling kan alleen worden toegepast als de juridische splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Dit wordt de antimisbruikbepaling genoemd. Als aandelen in de gesplitste rechtspersoon of in de verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing worden vervreemd aan een niet-verbonden lichaam (echte derde), wordt aangenomen dat de splitsing niet zakelijk was. Het is dan aan de belastingplichtige om het tegendeel aannemelijk te maken. Als dat niet lukt, geldt de veronderstelling dat de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Als de belastingplichtige er niet in slaagt dit te weerleggen, kan de doorschuifregeling niet worden toegepast. Er wordt dan alsnog vennootschapsbelasting geheven over de splitsingswinst.
Wat oordeelde de Hoge Raad?
De nationale wettelijke bepaling op grond waarvan wordt aangenomen dat een splitsing niet zakelijk is als de hiervoor omschreven vervreemding van aandelen plaatsvindt, is volgens de Hoge Raad in strijd met Europees recht. Volgens de nationale wettekst is het namelijk zo dat een juridische splitsing de stempel ‘niet-zakelijk’ krijgt, zonder dat de inspecteur daar een “begin van bewijs” voor aanlevert. Dit is niet in overeenstemming met de Fusierichtlijn (Europees recht), waarop de nationale wettelijke bepaling is gebaseerd. Daarom moet deze bepaling buiten toepassing blijven.Het oordeel van de Hoge Raad gaat over de splitsingsregeling in de vennootschapsbelasting, maar kan worden doorgetrokken naar de doorschuifregeling voor bedrijfsfusies in de vennootschapsbelasting. Die doorschuifregeling bevat namelijk een inhoudelijk gelijke antimisbruikbepaling met dezelfde Europeesrechtelijke achtergrond.
Wat zijn de concrete gevolgen van dit arrest?
In de praktijk heeft dit arrest vooral gevolgen voor de verdeling van de bewijslast bij discussies over de vraag of de antimisbruikbepaling van toepassing is. Als binnen drie jaar na een fiscaal gefaciliteerde juridische splitsing of bedrijfsfusie een vervreemding van aandelen plaatsvindt, mag niet worden aangenomen dat de juridische splitsing of bedrijfsfusie (daarom) onzakelijk was. Dit geldt overigens ook als vóór de besluitvorming over de juridische splitsing al het voornemen bestond de aandelen aan een derde te vervreemden. De inspecteur zal zelf een “begin van bewijs” moeten leveren dat de juridische splitsing of bedrijfsfusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen of zelfs ‘misbruik’ vormt. Door dit arrest heeft de inspecteur dus een zwaardere bewijslast gekregen dan de nationale wet voorschrijft.Waarschuwing
Het is goed om te beseffen dat slechts een onderdeel van de antimisbruikbepaling in strijd met Europees recht is geoordeeld. Het toepassen van de doorschuifregeling in de vennootschapsbelasting bij juridische splitsingen en bedrijfsfusies vereist nog steeds dat géén sprake is van misbruik. Het kan nog steeds zo zijn dat sprake is van ‘misbruik’ als aandelen (kort) na een juridische splitsing of bedrijfsfusie worden verkocht. Of daadwerkelijk sprake is van misbruik, hangt af van de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Op basis van het oordeel van de Hoge Raad is duidelijk dat de bewijslast hiervoor in eerste instantie bij de inspecteur ligt.Zorg voor documentatie
Dit arrest zorgt voor iets meer duidelijkheid. Voor de praktijk is van belang om goed in kaart te brengen en te documenteren wat de achterliggende overwegingen voor een fusie of splitsing zijn. Dit geldt ook als deze fusie of splitsing onderdeel is van meerdere transacties.Contact

