Factoring via verpanding en cessie van vorderingen belast met btw

Artikel

Gepubliceerd: 
Auteur(s): Erik Bakx, Alex Cooke
Op 23 oktober 2025 heeft het Europese Hof van Justitie in de zaak Kosmiro bevestigd dat zowel bij factoring via verpanding als factoring via cessie van vorderingen sprake is van één ondeelbare dienst (inning van schuldvorderingen) die aan btw is onderworpen. Deze zaak kan grote gevolgen hebben voor factoringmaatschappijen die hun commissie behandelen als een btw-vrijgestelde kredietverlening, en gevolgen hebben op de kostprijs van factoring voor (gedeeltelijk) vrijgestelde ondernemingen. 

Achtergrond – samenvatting van de zaak 

Een Fins bedrijf (“A Oy”) verleent factoringdiensten aan ondernemingen. Er worden twee soorten factoringdiensten aangeboden: 
  • 1. factoring via verpanding: financiering op basis van facturen, waarbij het risico van wanbetaling bij de klant blijft; en 
  • 2. factoring via cessie van vorderingen: aankoop van facturen door de factor, waarbij het risico van wanbetaling op de factor overgaat.  
De inkomsten van de factor bestaan uit:  
  • 3. een financieringscommissie: een percentage van de factuur, afhankelijk van het risicoprofiel van de klant en de termijn van terugbetaling. Deze vergoeding wordt vooraf betaald. 
  • 4. een aanvangsvergoeding die diverse andere kosten dekt, zoals opstartkosten, anti-witwascontroles, enz.  
Volgens het Hof van Justitie vormen zowel de financieringscommissie als de aanvangsvergoeding de tegenprestatie voor de door de factor verleende diensten. Het Hof benadrukt dat de commissie en vergoeding geen vermindering van de koopprijs van de vorderingen vertegenwoordigen. Voor beide vormen van factoring bevestigt het Hof dat er sprake is van één ondeelbare prestatie die aan btw onderworpen is.  

De motivering van het Hof verschilt per type factoring:  
  • 5. bij factoring via verpanding is er sprake van kredietverlening, maar deze is ondergeschikt aan de incasso van vorderingen en vormt geen afzonderlijke, van btw vrijgestelde kredietverlening. 
  • 6. bij factoring via cessie van vorderingen koopt de factor de vorderingen en neemt daarmee het risico van wanbetaling over. Er is in dat geval geen sprake van het verlenen van krediet zoals bedoeld in de btw-richtlijn. 

Praktische gevolgen 

Dit arrest van het Hof van Justitie verduidelijkt de positie voor factoringmaatschappijen en bevestigt dat factoring via verpanding en cessie van vorderingen (inclusief alle bijbehorende vergoedingen) één ondeelbare prestatie vormen, die aan btw is onderworpen. De reikwijdte van de uitzondering voor inning van schuldvorderingen wordt daarmee verruimd.  

Dit resulteert in een gunstige btw-positie voor veel factoringmaatschappijen. Verpanding- en cessie factoringmaatschappijen kunnen de btw op samenhangende kosten terugvorderen, wat leidt tot een hoger ‘pro rata’ aftrekpercentage, of mogelijk zelfs een volledig belaste onderneming worden. Hun klanten zijn doorgaans volledig belaste ondernemingen die de in rekening gebrachte btw in aftrek kunnen brengen. 

Voor zorginstellingen of andere (gedeeltelijk) vrijgestelde ondernemingen betekent deze wijziging echter een kostenverhoging, omdat de door de factor in rekening gebrachte btw (grotendeels) niet kan worden teruggevorderd. Voor factoringmaatschappijen die de financieringscommissie als een vrijgestelde kredietverlening behandelen, bestaat het risico dat er te weinig btw berekend wordt aan factoringklanten.  

Let op: er bestaan veel verschillende vormen van factoring die niet door dit arrest worden behandeld en waarbij de feitelijke situatie kan verschillen. Het blijft daarom belangrijk om per geval een beoordeling te maken.  

Meer informatie? 

Bent u betrokken bij factoringdiensten en wilt u de gevolgen voor uw situatie bespreken? Wij helpen u graag verder. Neem contact op met een van onze btw-adviseurs voor meer informatie.  

Auteur(s)