Box 3: niet-bezwaarmakers hebben geen recht op vermindering over de jaren 2017-2020

Artikel

Gepubliceerd: 
Auteur(s): Wendy Nent
De Hoge Raad heeft op 25 juni 2026 arrest gewezen over de rechtspositie van belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen hun box 3-heffing over de jaren 2017 tot en met 2020. Het oordeel van de Hoge Raad is dat deze belastingplichtigen geen vermindering krijgen van de box 3-heffing over deze oude jaren.

Achtergrond

Dit arrest is het vervolg op het zogenoemde Kerstarrest van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1963), waarin de Hoge Raad oordeelde dat het met ingang van 2017 ingevoerde heffingsstelsel van box 3 in strijd is met het Europees recht als het door de wetgever bepaalde forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Voor degenen die tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen deze box 3-heffing geldt dat de opgelegde aanslagen worden verminderd indien het werkelijk genoten rendement lager is dan het forfaitaire rendement.

Inhoud van het arrest 

Voor de belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt, was het tot vandaag de vraag of zij recht hadden op ambtshalve vermindering van de opgelegde aanslagen. In 2022 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:720) al beslist dat het Kerstarrest uit 2021 is aan te merken als nieuwe jurisprudentie waar de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen geen rekening mee kon (en hoefde te) houden. Daarom werden de opgelegde aanslagen voor de niet-bezwaarmakers niet verminderd. Toch waren er diverse belastingplichtigen die hier nog verder over wilden procederen. Daarvoor werd een massaalbezwaarplusprocedure in het leven geroepen, waarin nog de volgende geschilpunten aan de orde kwamen:
  • Is sprake van een ongelijke behandeling van belastingplichtigen die tijdig bezwaar hebben gemaakt ten opzichte van diegenen die dat niet hebben gedaan?
  • Is het zogenoemde ‘nieuwe jurisprudentiecriterium’ in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
De Hoge Raad heeft hierover nu geoordeeld dat belastingplichtigen die tijdig bezwaar hebben gemaakt niet in dezelfde positie verkeren als diegenen die dat niet hebben gedaan. Er is dus geen sprake van discriminatie.

Voor wat betreft de toets van het nieuwe jurisprudentiecriterium aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel stelt de Hoge Raad voorop dat de rechter zich hierbij terughoudend moet opstellen. Bij de totstandkoming van dit criterium zijn politiek-bestuurlijke afwegingen gemaakt. De nadelige gevolgen voor belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt zijn volgens de Hoge Raad niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen van met name rechtszekerheid en praktische uitvoerbaarheid.

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat ook het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur niet geschonden is, omdat belanghebbenden geen bijzondere omstandigheden hebben gesteld waaruit blijkt dat de toepassing van het nieuwe jurisprudentiecriterium in hun situaties onredelijk bezwarend zijn. 

Als laatste concludeert de Hoge Raad dat ook geen sprake is van een schending van een van de andere beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel.

Tot slot

De slotsom is dat de Hoge Raad heeft beslist dat niet-bezwaarmakers geen vermindering krijgen van de eerder opgelegde box 3-heffing. Ingediende verzoeken om ambtshalve vermindering zullen dan ook naar verwachting op korte termijn worden afgewezen.

Auteur(s)