Bonus telt mee bij uitbetaling vakantiedagen

Artikel

Gepubliceerd: 
Auteur(s): Ramy Mohamed
De rechtbank Noord‑Holland heeft op 8 april 2026 een belangrijke uitspraak gedaan over de vraag welke loonbestanddelen meetellen bij de uitbetaling van niet‑genoten vakantiedagen na het einde van een dienstverband. Centraal stond de vraag of een (discretionaire) bonus en het werkgeversdeel van de pensioenpremie onderdeel uitmaken van het vakantieloon.

Wat speelde er?

De zaak betrof een algemeen directeur die van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2024 in dienst was bij zijn werkgever. Het dienstverband werd beëindigd via een vaststellingsovereenkomst, waarin onder meer was afgesproken dat 367,25 openstaande vakantie‑uren zouden worden uitbetaald. De werkgever betaalde deze uren uit op basis van het bruto‑uurloon en erkende dat ook de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering moesten worden meegenomen. De werknemer stelde echter dat ook de ontvangen bonussen en het werkgeversdeel van de pensioenpremie moesten meetellen bij de berekening van de waarde van een vakantie‑uur.

Wat is vakantieloon?

De kantonrechter stelde voorop dat werknemers tijdens vakantie recht hebben op ‘loon’ in de zin van artikel 7:639 BW en artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat daaronder niet alleen het vaste salaris valt, maar ook looncomponenten die intrinsiek samenhangen met de taken en professionele/persoonlijke status van de werknemer.

Bonus is onderdeel van het vakantieloon

De rechtbank oordeelde dat de ontvangen bonussen in dit geval als loonbestanddeel moeten worden aangemerkt. Daarbij speelde een rol dat de bonus afhankelijk was van zowel de persoonlijke inzet van de werknemer als de bedrijfsresultaten. Gezien de positie als algemeen directeur konden de bedrijfsresultaten niet los worden gezien van de werkzaamheden. Dat de bonus formeel discretionair was, deed hier volgens de rechter niet aan af. Ook was van belang dat in twee van de drie dienstjaren daadwerkelijk een bonus was uitgekeerd, wat wijst op een structureel karakter.

Voor de hoogte van de bonuscomponent paste de rechter een referteperiode van drie jaar toe. De bonussen over 2022 en 2023 zijn daarbij uitgesmeerd over 36 maanden, mede omdat over 2024 geen bonus was vastgesteld en de werknemer vanaf eind juni 2024 was vrijgesteld van werkzaamheden.

Werkgeversdeel pensioenpremie telt niet mee

Het werkgeversdeel van de pensioenpremie hoefde volgens de rechter niet te worden meegenomen. Deze premie wordt rechtstreeks afgedragen aan de pensioenuitvoerder en zou ook bij het opnemen van vakantie niet afzonderlijk aan de werknemer worden uitbetaald. Het niet uitbetalen van dit onderdeel leidt volgens de rechtbank daarom niet tot een financieel nadeel voor de werknemer.

Per saldo werd de werkgever veroordeeld tot betaling van een aanvullend bedrag van € 7.383,34 bruto, vermeerderd met wettelijke rente en een wettelijke verhoging wegens te late loonbetaling.

Wat betekent dit voor werkgevers?

De uitspraak onderstreept hoe complex het loonbegrip kan zijn bij vakantie‑ en eindafrekeningen en laat zien dat ook variabele beloningen onder omstandigheden moeten worden meegenomen.

Juist dit soort vragen staan centraal in onze workshops Arbeidsrecht in de praktijk. Aan de hand van praktijkvoorbeelden bespreken we waar arbeidsrechtelijke risico’s liggen en hoe je daar als HR professional, bedrijfsjurist of (hoger) leidinggevende mee omgaat. Bekijk onze evenementpagina voor meer informatie.

Auteur(s)

Ramy Mohamed
Sr. Manager Tax & Legal | Arbeidsrecht | Bureau Vaktechniek