BDO Nederland gebruikt cookies en trackingtechnologieën om het browser-gebruik op onze site te verbeteren, gepersonaliseerde content te tonen en traffic te analyseren. Door het gebruik van onze website, stemt u in met het gebruik van functionele cookies. Door op onderstaande button te klikken, stemt u in met analytische cookies. Lees meer over ons cookiebeleid en privacybeleid.
Artikel:

Werkelijk gebruik btw-aftrek minder strikt?

09 april 2020

Ondernemers die belaste en vrijgestelde prestaties verrichten, dienen een pro rata te berekenen om de mate van btw-aftrek voor algemene kosten te bepalen. Gerechtshof Den Bosch heeft hierover uitspraak gedaan. In dit perspectief gaan wij kort in op deze pro rata berekening, lichten wij de uitspraak toe en leggen we uit waarom deze voor u van belang kan zijn.

Werkelijk gebruik

Als een ondernemer zowel vrijgestelde als belaste prestaties verricht, is het aftrekrecht beperkt. Voor algemene kosten (kosten gemaakt voor zowel de vrijgestelde als belaste prestatie) is btw slechts deels aftrekbaar. Daarom moet een pro rata berekening worden gemaakt. Dit kan op basis van de omzetverhouding-methode, waarbij de verhouding tussen de belaste en totale omzet wordt berekend. Voor meer informatie verwijzen wij naar ons perspectief over deze methode. Een alternatief is de werkelijk-gebruik-methode. Deze methode mag worden gebruikt als het werkelijk gebruik van goederen en diensten afwijkt van de verhouding die is berekend volgens de omzetverhouding-methode. Vervolgens wordt de mate van btw-aftrek berekend op basis van het werkelijk gebruik, bepaald via objectieve en nauwkeurige gegevens. Het kan interessant zijn om de btw-aftrek op algemene kosten te berekenen aan de hand van het werkelijk gebruik, bijvoorbeeld aan de hand van oppervlakteverhoudingen of fte’s. U kunt hier ook toe verplicht zijn.

Voor onroerende en roerende zaken waarop wordt afgeschreven voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting geldt dat het werkelijk gebruik per zaak mag worden bepaald. Voor diensten en andere roerende zaken mag volgens beleid van de staatssecretaris pas worden overgegaan naar het werkelijk gebruik wanneer voor deze kosten als geheel genomen geldt dat het werkelijk gebruik niet overeenstemt met de verhouding berekend via de omzetverhouding-methode. Europese arresten als Morgan Stanley en Banco Mais lijken meer mogelijkheden te bieden voor de bepaling van btw-aftrek via het werkelijk gebruik dan thans in Nederland het geval is. Zo blijkt uit het arrest Banco Mais dat bij bepaling van het werkelijk gebruik enige ruimte in de nauwkeurigheid moet worden gelaten. Het gaat niet om het (theoretisch denkbare) meest nauwkeurige resultaat. Daarnaast blijkt uit het Morgan Stanley arrest dat voor de bepaling van aftrekbare voorbelasting moet worden aangesloten bij verschillende omzetcategorieën waarvoor kosten zijn gemaakt. Een recente uitspraak van Gerechtshof Den Bosch legt de lat iets lager en bevestigt dat uit de Europese jurisprudentie een minder strikte toepassing van de werkelijk-gebruik-methode volgt.

De rechtszaak

Deze zaak ging over een bankinstelling die vrijgestelde en belaste prestaties verrichtte. Voor beide prestaties gezamenlijk zijn kosten gemaakt (algemene kosten). Voor het bepalen van de btw-aftrek kijkt de bankinstelling naar het werkelijk gebruik en heeft hiervoor een bedrijfseconomische analyse gemaakt van de ‘profit and loss’ per product. Vervolgens zijn de gemengde kosten op basis van drie verdeelsleutels gealloceerd aan de verschillende product- en omzetcategorieën. In geschil is of dit tot een nauwkeurigere berekening van de mate van aftrek leidt dan de omzetverhouding-methode. Volgens het Gerechtshof heeft de bankinstelling aannemelijk gemaakt dat een berekening op basis van het werkelijk gebruik is gebaseerd op objectieve en nauwkeurig vastgestelde gegevens en leidt tot een nauwkeurigere bepaling van de btw-aftrek dan via de omzetverhouding-methode.

Belang voor de praktijk

De uitspraak van het Gerechtshof is van belang voor financiële instellingen, maar mogelijk ook voor zorg- en onderwijsinstellingen. De uitspraak geeft inzicht in hoe strikt moet worden omgegaan met de aftrek van voorbelasting aan de hand van werkelijk gebruik. Zo blijkt dat het niet gaat om het meest nauwkeurige, maar om een nauwkeuriger resultaat dan via de omzetverhouding-methode. Het gebruik van aannames en veronderstellingen, mits voldoende objectief, maakt dit niet anders. Om te beoordelen of er in uw geval mogelijkheden zijn om tot een gunstigere mate van aftrek te komen, hangt af van uw specifieke situatie en de beschikbare gegevens binnen uw organisatie. Wij helpen u graag bij het maken van deze beoordeling. Let op, het uitgangspunt van btw-aftrek is dat deze zo reëel mogelijk is. Voorzichtigheid is belangrijk.

Advies

Als u vragen heeft of de gevolgen voor uw situatie wilt beoordelen, neem dan contact op met een van onze adviseurs. Wij zijn u graag behulpzaam!