Blog:

Vast fiscaal goed: aanhorigheid of niet?

05 mei 2020

Wanneer is iets een aanhorigheid? Het is goed om bij elke investering te beoordelen of de betreffende investering moet worden gerekend tot een gebouw of niet. Fiscaal afschrijven op gebouwen is namelijk slechts mogelijk tot de zogenaamde bodemwaarde, welke is gerelateerd aan de WOZ waarde. Daarmee kan het ook interessant zijn om na te gaan of de WOZ beschikking, die u recentelijk heeft ontvangen, niet te hoog is vastgesteld.

Minder afschrijven op gebouwen

Met ingang van 2007 is de belastingheffing over winsten gewijzigd als gevolg van het wetsvoorstel ’werken aan winst’. Doelstelling was een verlaging van de tarieven in samenhang met wat een verbreding van de grondslag genoemd wordt. Met andere woorden: dit betekent dat een beperking van de aftrek van kosten zodat de fiscale winst hoger wordt, zodat ondanks de tariefdaling toch evenveel belasting verschuldigd is. Een van die aftrekbeperkingen is dat over gebouwen minder mag worden afgeschreven: afschrijven is slechts mogelijk tot de zogenoemde bodemwaarde. De bodemwaarde is voor een gebouw, dat in de onderneming zelf in gebruik is, gesteld op 50% van de WOZ-waarde van het betreffende gebouw en voor een verhuurd gebouw 100% van de WOZ-waarde. NB: in de vennootschapsbelasting geldt met ingang van 2019 dat ook bij gebouwen in eigen gebruik de bodemwaarde gelijk is aan de WOZ-waarde.

In de casus die ik in dit blog wil bespreken, is sprake van de vraag of iets een aanhorigheid is (HR 17 jan 2020; ECLI:NL:HR:2020:64). In deze casus had de inspecteur de afschrijving die belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting had verwerkt gecorrigeerd omdat de bodemwaarde was bereikt. Belanghebbende was van mening dat hij wel kon afschrijven, omdat de betreffende activa geen gebouw betroffen en daar ook geen onderdeel van waren.

Wanneer wordt gesproken van ‘een gebouw’?

De eerste vraag is dan: wat is een gebouw? Een algemene fiscale omschrijving van een gebouw is een ‘onroerend object dat bescherming geeft tegen wind en neerslag’. Onderdelen van een gebouw zijn onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar aan het gebouw en laten het gebouw beter functioneren. Voorbeelden zijn de groenvoorziening bij een gebouw en het parkeerterrein. Daarnaast kennen we nog de term ‘gebouwd eigendom’. Hieronder verstaan we alle bouwwerken die geen gebouw zijn. Als voorbeeld worden windmolens, opslagtanks en hoogspanningsmasten genoemd. Dat zijn weliswaar onroerende objecten, maar deze bieden geen bescherming tegen wind en neerslag. Speciaal voor de omzetbelasting geldt dat elk vast met de grond verbonden bouwwerk een gebouw is, waardoor voor deze wet ook bijvoorbeeld wegen worden gekwalificeerd als een gebouw.

Casus: discussie over onroerende zaken van een veehouder

In casu ging het over een veehouder. De onroerende zaken waar de discussie over bestond, betroffen de erfverharding, de plaat/sleufsilo en de mestsilo. Zoals eerder aangegeven, stelde de inspecteur dat deze tot het gebouw behoorden omdat het aanhorigheden bij de boerderij zouden zijn. En voor de fiscale afschrijving worden onderdelen van een gebouw, de ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel beschouwd. Belanghebbende bracht hier tegenin dat sprake was van zelfstandige bedrijfsmiddelen. Bijvoorbeeld de mestsilo was bedoeld om tijdelijk mest op te slaan voordat deze over het land kon worden uitgereden. Daarmee was deze silo niet alleen dienstbaar aan de veestal, maar reikte de functie verder. Soortgelijke redenatie was er voor de sleufsilo waar producten van het landbouwdeel van de onderneming worden opgeslagen (voordat zij worden gevoerd aan het vee).

De Advocaat Generaal was aanvankelijk positief voor de belanghebbende in deze casus, gezien gebouwen en hun ondergrond niet zelden in waarde stijgen. Silo’s en strooistelhokken daarentegen slijten en verliezen sneller hun waarde. Het lijkt niet logisch om silo’s (en dergelijke bedrijfsobjecten) als aanhorigheden te kwalificeren. Echter, voor bestanddelen van een gebouw die in waarde zouden kunnen dalen, is de zogeheten werktuigenvrijstelling opgenomen. Een werktuig is zelf geen onroerende zaak. En in deze casus is niet in geschil dat zaken als erfverharding en silo’s op zichzelf onroerend zijn. De Advocaat Generaal stelt dat deze zaken wel bijdragen aan het gebruik van de gebouwen. Niet alleen dragen ze bij aan het gebruik, maar zijn er ook dienstbaar aan. Om aangemerkt te worden als aanhorigheid is het niet noodzakelijk dat er sprake is van fysieke verbondenheid. Denk daarbij aan een garage die wel een aanhorigheid is, ook als het een losstaand gebouw is. Hiermee valt het doek voor de belanghebbende: er mag niet worden afgeschreven.

Advies: beoordeel bij iedere investering of dit moet worden gerekend tot een gebouw (of niet)

De voorgelegde casus is specifiek, het gaat over een boerenbedrijf. Wel blijkt uit de achterliggende vraagstelling dat het goed is om bij elke investering te beoordelen of de betreffende investering moet worden gerekend tot een gebouw of niet. En dat speelt vaker dan u denkt: bijvoorbeeld de tussenwanden in een kantoor of de rekken van een winkel. Daarnaast geeft de vraagstelling aan dat het interessant kan zijn of de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.

Op de hoogte blijven?

BDO brengt regelmatig publicaties uit en organiseert evenementen over relevante thema’s in de bouw- & vastgoedbranche. Wilt u op de hoogte blijven? Wij reiken deze perspectieven graag aan.
 

Aanmelden e-mailnieuwsbrief