BDO Nederland gebruikt cookies en trackingtechnologieën om het browser-gebruik op onze site te verbeteren, gepersonaliseerde content te tonen en traffic te analyseren. Door het gebruik van onze website, stemt u in met het gebruik van functionele cookies. Door op onderstaande button te klikken, stemt u in met analytische cookies. Lees meer over ons cookiebeleid en privacybeleid.
Artikel:

Ruimere toepassing btw-vrijstelling collectief vermogensbeheer

23 december 2020

Het beheer van collectieve vermogens is van btw vrijgesteld, terwijl het beheer van individuele vermogens belast is. Recent oordeelde de Hoge Raad over het beheer van zogenoemde beleggingsgirorekeningen dat dit ook binnen de vrijstelling voor collectief vermogensbeheer valt. Daarmee is sprake van een ruimere uitleg van deze vrijstelling. Mogelijk heeft dat ook gevolgen voor uw situatie.

Situatie in de zaak van de Hoge Raad

In de zaak van de Hoge Raad gaat het om een vermogensbeheerder. De vermogensbeheerder beschikt over een vergunning van de AFM om in Nederland beleggingsdiensten te verlenen en beleggingsactiviteiten te verrichten. 

Klanten van deze vermogensbeheerder hebben de mogelijkheid om volgens vaste opgestelde beleggingsprofielen hun vermogen te laten beleggen door de vermogensbeheerder. Het vermogen van cliënten wordt per beleggingsprofiel in dezelfde verhouding in dezelfde financiële instrumenten belegd. Afwijkingen op individueel niveau zijn daarbij niet mogelijk. In het kader van de verplichting tot vermogensscheiding uit de Wft, wordt het te beleggen geld door klanten gestort op een centrale rekening die op naam staat van de beleggersgiro (een door de vermogensbeheerder opgerichte stichting). Klanten krijgen een zogenoemde beleggingsgirorekening toegekend die hun vordering op de beleggersgiro (de stichting) weergeeft. De waarde van de vordering luidt in effecten en andere financiële instrumenten. De vergoeding die de vermogensbeheerder aan haar klanten in rekening brengt voor haar dienstverlening, wordt verrekend via hun beleggersgirorekeningen. De vraag is of die vergoeding belast is met btw of dat de vrijstelling voor collectief vermogensbeheer kan worden toegepast.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft beslist dat de dienstverlening van de vermogensbeheerder onder de btw-vrijstelling voor collectief vermogensbeheer valt. 

Instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) en fondsen die geen icbe’s zijn, maar dezelfde kenmerken vertonen als deze instellingen, worden als een beleggingsfonds met een ter collectief bijeengebracht vermogen aangemerkt. Op het beheer van deze fondsen kan de btw-vrijstelling worden toegepast. Er is in dit geval geen sprake van een icbe, zodat moet worden nagegaan of sprake is van een fonds met gelijke kenmerken als een icbe. Een (gemeenschappelijk beleggings)fonds is vergelijkbaar met een icbe als:

  • de vermogens van beleggers zijn samengevoegd en gespreid zijn belegd in verschillende financiële instrumenten;
  • door die samenvoeging het risico van de beleggers wordt gespreid; en
  • iedere belegger een evenredig belang heeft bij de beleggingen, maar niet de beleggingen zelf bezit.

De wijze waarop door de vermogensbeheerder vermogens van beleggers op een centrale rekening bijeengebracht worden en de wijze waarop de financiële instrumenten door de beleggersgiro worden gehouden, voldoet  volgens de Hoge Raad aan de essentiële kenmerken van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Volgens de Hoge Raad is het daarbij niet relevant dat het vermogen niet bijeengebracht is tegen de uitgifte van aandelen of participatie.  Het is doorslaggevend dat de klanten een vordering hebben op de (geldelijke) waarde van een evenredig deel van het vermogen van het fonds.

Dat de vermogens in feite niet worden belegd door de vermogensbeheerder zelf, maar door de beleggersgiro (in opdracht van de vermogensbeheerder), betekent niet dat de beleggersgiro niet vergelijkbaar is met een icbe. Van belang is dat de beleggers na inleg geen zeggenschap meer hebben over de aan- en verkoop van financiële instrumenten en dat is het geval.

Voor de toepassing van de btw-vrijstelling is  daarnaast vereist dat het gemeenschappelijke beleggingsfonds onderworpen moet zijn aan bijzonder overheidstoezicht. 

De vermogensbeheerder beschikt over een vergunning voor individueel vermogensbeheer. De vraag is of dat voldoende is of dat sprake moet zijn van een vergunning voor collectief vermogensbeheer. Omdat deze vergunning aan de vermogensbeheer vergelijkbare eisen stelt als de vergunning voor collectief vermogensbeheer, oordeelt de Hoge Raad dat is voldaan aan de eis van bijzonder overheidstoezicht. Het is volgens de Hoge Raad ook voldoende dat de vermogensbeheerder onder toezicht staat van de AFM. Het is niet nodig dat het toezicht gericht is op het belegde vermogen in het fonds. Kortom, voor het bijzonder toezicht op het gebied van collectief vermogensbeheer is het voldoende dat de vermogensbeheerder onder toezicht staat van de AFM, ook al is dit op basis van een vergunning voor individueel vermogensbeheer.

Het oordeel van de Hoge Raad wijkt daarmee af van de door de staatssecretaris gegeven strikte uitleg omtrent ‘bijzonder overheidstoezicht’. Een besluit hierover van de Staatssecretaris zal naar onze mening moeten worden aangepast, waardoor het besluit een ruimere werking zal hebben op dit punt.

Belang voor vermogensbeheerders

De beslissing van de Hoge Raad is van groot belang voor vermogensbeheerders, zowel voor de btw-heffing over de eigen prestaties als ook de btw-gevolgen voor de voorbelasting uit daaraan toerekenbare kosten. Zij dienen hun beleggingsproducten tegen het licht te houden om te beoordelen of hier mogelijk de btw-vrijstelling voor collectief vermogensbeheer kan worden toegepast, waar dat tot op heden nog niet het geval was. Deze analyse zal van situatie tot situatie moeten worden gemaakt. Uiteraard zijn we u hierbij graag behulpzaam.  

Meer informatie? 

Neem dan contact op met een van onze adviseurs. Wij helpen u graag!