Artikel:

Omzet buitenlands hoofdhuis moet volgens Advocaat-generaal in pro rata

08 oktober 2018

In een recente conclusie gaat Advocaat-generaal Mengozzi in op de vraag of een Franse vaste inrichting de omzet van haar buitenlandse hoofdhuis moet opnemen in haar pro rata.

Zaak: Morgan Stanley

Morgan Stanley is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde bank met een vaste inrichting in Frankrijk. Zij verricht bancaire en financiële diensten aan derden. Dit doet zij zowel vanuit het hoofdhuis in het Verenigd Koninkrijk als vanuit de vaste inrichting in Frankrijk. De Franse vaste inrichting verricht enkele werkzaamheden voor het hoofdhuis waarvoor zij een vergoeding ontvangt. Zij maakt kosten voor deze werkzaamheden. Het gaat zowel om kosten voor goederen en diensten die zij uitsluitend gebruikt voor de werkzaamheden voor het buitenlands hoofdhuis als om kosten voor goederen en diensten die zij gebruikt voor de werkzaamheden voor het buitenlands hoofdhuis en haar eigen prestaties. De vraag is in welke mate de Franse vaste inrichting de btw op deze gemaakte kosten in aftrek kan brengen.

Eerdere jurisprudentie

In het arrest FCE Bank oordeelde het Hof van Justitie dat tussen hoofdhuis en vaste inrichting voor de btw geen belastbare prestaties plaatsvinden. De vaste inrichting is namelijk niet aan te merken als een zelfstandige belastingplichtige voor de btw. Dit betekent echter niet dat hoofdhuis en vaste inrichting een gezamenlijk pro rata moeten toepassen om de mate van aftrek te bepalen. In de zaak Le Crédit Lyonnais wees het Hof van Justitie een dergelijk mondiaal pro rata uitdrukkelijk af. Het Franse hoofdhuis van Le Crédit Lyonnais mocht volgens het Hof van Justitie de omzet van haar buitenlandse vaste inrichtingen niet in aanmerking nemen om de mate van aftrek te bepalen voor de btw op door haar gemaakte kosten. In de zaak ESET oordeelde het Hof van Justitie over de btw-aftrek van een Poolse vaste inrichting. De vaste inrichting verrichtte uitsluitend werkzaamheden voor haar Slowaakse hoofdhuis. Volgens het Hof van Justitie kon de vaste inrichting de btw op de gemaakte kosten in aftrek brengen indien en voor zover de handelingen van het Slowaakse hoofdhuis recht op aftrek zouden geven wanneer zij in Polen zouden zijn verricht. Aangezien ESET uitsluitend belaste prestaties verrichte kon de Poolse vaste inrichting de btw volledig in aftrek brengen.

Visie van de Advocaat-generaal

De Advocaat-generaal gaat eerst in op de situatie waarin de kosten uitsluitend zijn gemaakt voor de werkzaamheden die de Franse vaste inrichting voor het hoofdhuis heeft verricht. Volgens de Advocaat-generaal moet om te bepalen of en in welke mate de Franse vaste inrichting de btw in aftrek kan brengen een dubbele toets worden aangelegd. In de eerste plaats moet worden vastgesteld aan welke activiteiten de kosten kunnen worden toegerekend en of deze activiteiten recht geven op aftrek van voorbelasting. Hierbij moet worden gekeken naar de btw-wetgeving van het Verenigd Koninkrijk. Er zijn hierbij drie mogelijkheden:

  1. De kosten zijn direct toerekenbaar aan btw-belaste handelingen.
  2. De kosten zijn direct toerekenbaar aan van btw vrijgestelde handelingen.
  3. De kosten zijn zowel toerekenbaar aan btw-belaste als van btw vrijgestelde handelingen (algemene kosten).


Wanneer de kosten direct toerekenbaar zijn aan van btw vrijgestelde handelingen in het Verenigd Koninkrijk kan de Franse vaste inrichting de btw niet in aftrek brengen. Hierbij is niet van belang of de handelingen wanneer zij in Frankrijk zouden zijn verricht wel recht op aftrek van voorbelasting zouden geven. Wanneer de kosten direct toerekenbaar zijn aan btw-belaste handelingen bestaat volledig recht op aftrek van voorbelasting, mits de btw ook in aftrek gebracht zou kunnen worden wanneer de handelingen in Frankrijk zouden zijn verricht. Wanneer het gaat om algemene kosten is de btw deels aftrekbaar. Zowel de omzet van het buitenlandse hoofdhuis als de Franse vaste inrichting moeten in dat geval meegenomen worden in de pro-rata-berekening. Ook dan moet nog de tweede toets plaatsvinden, namelijk of de handelingen van het hoofdhuis in het Verenigd Koninkrijk ook in Frankrijk belaste handelingen opleveren en recht op aftrek geven. Voor de kosten die zijn gemaakt voor zowel de werkzaamheden die de vaste inrichting voor het hoofdhuis verricht als voor haar eigen handelingen met derden moet volgens de Advocaat-generaal dezelfde benadering worden gehanteerd. 

Schematisch kan het bovenstaande als volgt worden weergegeven:

Ten slotte

In zijn benadering nuanceert de Advocaat-generaal het oordeel van het Hof van Justitie in de zaak Le Crédit Lyonnais. Men kon namelijk uit die zaak afleiden dat alleen de omzet van de lokale vestiging in aanmerking kon worden genomen om het recht op aftrek te bepalen. Hoewel de oplossing van de Advocaat-generaal niet gemakkelijk uitvoerbaar is door de dubbele toets, kunnen wij deze voor een groot deel volgen. Wij onderschrijven de visie van de Advocaat-generaal dat indien kosten betrekking hebben op in het Verenigd Koninkrijk vrijgestelde prestaties geen recht op aftrek moet ontstaan. Ook volgen we de Advocaat-generaal dat wanneer kosten zijn gemaakt voor zowel de werkzaamheden die de vaste inrichting voor het hoofdhuis verricht als voor de eigen activiteiten van de vaste inrichting, het pro rata voor de totale entiteit moet worden berekend. Voor kosten die uitsluitend betrekking hebben op de werkzaamheden die de vaste inrichting voor het hoofdhuis verricht, is het naar onze mening rechtvaardiger om een pro rata toe te passen waarbij alleen de omzet van het hoofdhuis in acht wordt genomen. De toerekening van kosten aan een afgebakend bedrijfsgedeelte, zoals het Hof van Justitie noemt in de zaak Abbey National, zou hiervoor grondslag kunnen bieden.  Het is afwachten of het Hof van Justitie de benadering van de Advocaat-generaal volgt.

Meer informatie

Wanneer u nog vragen heeft over deze of andere btw-zaken neem dan contact op met een van onze specialisten.