BDO Nederland gebruikt cookies en trackingtechnologieën om het browser-gebruik op onze site te verbeteren, gepersonaliseerde content te tonen en traffic te analyseren. Door het gebruik van onze website, stemt u in met het gebruik van functionele cookies. Door op onderstaande button te klikken, stemt u in met analytische cookies. Lees meer over ons cookiebeleid en privacybeleid.
Artikel:

Nieuw besluit zorgvrijstelling vpb, inclusief paragraaf jeugdzorg

17 december 2019

Nadat eind 2018 een besluit over de toepassing van de zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting (hierna: vpb) is gepubliceerd, is op 13 december 2019 alweer een update van het besluit uitgebracht. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het vorige besluit zijn:

  1. Toevoeging van het langverwachte onderdeel over de toepassing van de zorgvrijstelling bij jeugdhulpaanbieders;
  2. De voorwaarden voor toepassing van de zorgvrijstelling bij een BV zijn meer in lijn gebracht met de huidige praktijk in de zorgsector, het Burgerlijk Wetboek en de Governance Code Zorg.

In dit perspectief gaan we nader in op de gevolgen voor jeugdzorginstellingen. De wijzigingen met betrekking tot de governance-vereisten bij zorg BV’s lichten we op korte termijn nader toe in een volgend perspectief.

Het knelpunt in de financieringswijze van de jeugdzorg

Met de invoering van de Jeugdwet in 2015 is de financieringswijze van de jeugdzorg gewijzigd, waardoor jeugdzorginstellingen mogelijk geen beroep meer kunnen doen op het zogenoemde ‘subsidiebesluit’ om buiten de heffing van vpb te blijven. Dit heeft ertoe geleid dat bij jeugdzorginstellingen onzekerheid over de vpb-plicht is ontstaan. Aangezien ook aan de zijde van de Belastingdienst onduidelijkheid bestond, werden bezwaarprocedures en vooroverleggen veelal aangehouden in afwachting van dit besluit.

Onderdeel jeugdzorg in het besluit

In het besluit is toegevoegd dat financiering op basis van de Jeugdwet “een belangrijk uitgangspunt” is voor de toets of sprake is van ‘zorg’ als bedoeld voor de zorgvrijstelling. Vervolgens wordt echter gesteld dat niet alle werkzaamheden die jeugdhulpaanbieders verrichten kwalificeren als ‘zorg’.

Voorbeelden van werkzaamheden die buiten de reikwijdte van deze wettelijke opsomming vallen, zijn:

  • niet-medische begeleiding van kinderen in het (speciaal) onderwijs;
  • onderzoek en opleiding (workshops, cursussen) op het gebied van jeugdhulp;
  • werkzaamheden die zien op opvoedingsproblemen in alle situaties waarin de jeugdige zelf geen medische beperking heeft.
  • Dit geldt ook voor de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering die op grond van de Jeugdwet worden verricht.

Naast de voorbeelden van de werkzaamheden die volgens het besluit niet kwalificeren als zorg, wordt ook een aantal voorbeelden gegeven van werkzaamheden die wél als kwalificerende zorg worden aangemerkt. Dit gaat om de volgende vormen van ondersteuning, hulp of zorg die worden verleend op grond van de Jeugdwet:

  • zorg ten behoeve van jeugdigen vanwege een verstandelijke of lichamelijke beperking van die jeugdigen;
  • begeleiding, inhoudende het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een lichamelijke, zintuiglijke, somatische, gediagnosticeerde psychische of verstandelijke beperking (hierna: beperking);
  • geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen, voor zover het zorg betreft waarop voor meerderjarigen aanspraak bestaat op grond van het basispakket Zvw of de Wlz;
  • het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een beperking.

Gevolgen van het besluit voor de praktijk

Nu het gewijzigde besluit (eindelijk) is gepubliceerd kunnen de lopende bezwaren en vooroverleggen worden opgepakt. Helaas is met het besluit echter niet alle onduidelijkheid opgelost. Zo lijkt het besluit aan te geven dat werkzaamheden gericht op jeugdigen met een beperking normaliter zouden kwalificeren. Hoe vastgesteld dient te worden of sprake is van werkzaamheden voor een jeugdige met een beperking is niet duidelijk. De uitdaging hierbij is dat jeugdzorginstellingen veelal proberen (‘zware’) indicatiestellingen of classificaties te vermijden om een negatief effect op de behandeling te voorkomen. Het niet hebben van een indicatie betekent niet per se dat geen sprake is van een beperking bij de jeugdige.

Ook kan bediscussieerd worden of het besluit de zorgvrijstelling niet te beperkt uitlegt. Naar onze mening bieden de wetsgeschiedenis en jurisprudentie voldoende aanknopingspunten om de zorgvrijstelling ruimer uit te leggen dan nu in het besluit wordt gedaan.

Wat moet u doen?

Indien uw instelling jeugdhulpactiviteiten verricht, adviseren we u te beoordelen of het besluit invloed heeft op de toepassing van de zorgvrijstelling. Indien op basis van het besluit de zorgvrijstelling niet meer van toepassing is, dient te worden beoordeeld wat de vpb-gevolgen hiervan zijn. Zo kan mogelijk geen sprake zijn van vpb-plicht indien een winstoogmerk ontbreekt.

Indien sprake blijkt van vpb-plicht dienen de fiscale resultaten te worden bepaald. Hierbij dient onder andere een fiscale openingsbalans te worden samengesteld. Alle activa en passiva worden op de openingsbalans gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Dit leidt er (onder andere) toe dat de fiscale resultaten wezenlijk kunnen verschillen van de resultaten uit de jaarrekening. Daarnaast kan een andere inrichting van de organisatiestructuur in bepaalde gevallen een oplossing bieden.

Meer informatie

Wilt u overleggen over de vpb-positie van uw organisatie, of heeft de Belastingdienst vragen gesteld over de vpb-positie? Neem dan contact op met een van onze adviseurs.