BDO.nl maakt gebruik van cookies

De website van BDO maakt gebruik van cookies. Dit doen we om onze site persoonlijker en gebruiksvriendelijker te maken, onder andere door analyse van bezoekersgedrag. Door verder te gaan op de website gaat u akkoord met het gebruik van cookies. Lees meer over cookies op bdo.nl.
Artikel:

Hogere btw-aftrek op algemene kosten instelling voor hoger onderwijs

02 maart 2018

Onlangs heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de wijze van berekening van het recht op aftrek van btw op kosten en investeringen (voorbelasting) bij een instelling voor hoger onderwijs.

Instellingen voor hoger onderwijs, zoals hoge scholen en universiteiten, financieren hun activiteiten uit diverse inkomsten en opbrengsten. Zo worden er rijksbijdragen ontvangen voor de financiering van het onderwijs en betalen de studenten een bedrag aan collegegeld dat vrijgesteld is van btw-heffing. Daarnaast bestaan er overige inkomstenbronnen, zoals de exploitatie van de kantine, verkoop van boeken, verhuur van congresruimten, kluisjesverhuur, waarvan er veel btw-belast zijn.

Casus

De zaak ziet op de wijze van berekening van het recht op aftrek van voorbelasting op algemene kosten bij een instellingen voor hoger onderwijs. In hoger beroep werd al door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beslist dat de collegegelden die de studenten betalen kwalificeren als een vergoeding voor een prestatie. Derhalve kwalificeert de onderwijsinstelling als ondernemer voor de btw. Aangezien de onderwijsvrijstelling dus vrijgestelde en belaste omzet heeft staat hiermee vast dat recht op pro rata aftrek van voorbelasting op de algemene kosten bestaat. In cassatie bij de Hoge Raad is enkel nog in geschil op welke wijze de aftrek van voorbelasting op algemene kosten berekend moet worden.

Pro rata-aftrek berekening

De algemene kosten die een instelling maakt voor zowel belaste als vrijgestelde activiteiten mogen naar verhouding (de pro rata) in aftrek worden gebracht. Op grond van de wettelijke bepalingen bestaat die pro rata uit de verhouding tussen de btw belaste omzet ten opzichte van de totale omzet. Er kan overigens aangesloten worden bij het werkelijke gebruik alleen geldt daarvoor als voorwaarde dat deze methode dan een nauwkeuriger beeld moet geven van het werkelijk gebruik van de kosten dan de omzetverhouding.

De onderwijsinstelling in de genoemde casus heeft de pro rata verhouding berekend volgens de wettelijke methode. Hierbij zijn de rijksbijdragen (die het grootste deel van de financiering vormen) buiten beschouwing gelaten omdat deze geen onderdeel uitmaken van de omzet. De inspecteur is van mening dat aangesloten moet worden bij het werkelijk gebruik waarbij uit wordt gegaan van de verhouding tussen de financieringsbronnen. Wanneer de rijksbijdragen niet worden meegenomen leidt dit tot een wanverhouding tussen het recht op aftrek en de omvang van de daadwerkelijk verrichte btw-belaste activiteiten.

De Hoge Raad oordeelt dat de Nederlandse wet niet zo kan worden uitgelegd dat subsidies meegenomen kunnen worden in de noemer van de pro rata berekening. Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat de rijksbijdragen en/of de verhouding in financieringsbronnen waaruit de onderwijsinstelling haar inkomsten verkrijgt, geen objectieve en nauwkeurige gegevens vormen waarmee het werkelijk gebruik van goederen en diensten objectief en nauwkeurig kan worden vastgesteld. De pro rata-aftrek dient derhalve op basis van omzetverhouding berekend te worden waarbij de rijksbijdragen buiten de berekening worden gehouden.

Gevolgen voor de praktijk

Naast het hof heeft nu ook de Hoge Raad bevestigd dat de pro rata bij onderwijsinstellingen op basis van omzetverhouding berekend mag worden waarbij de rijksbijdragen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Dit leidt tot aanzienlijk hogere pro rata percentages waardoor de aftrekmogelijkheid toeneemt. Dit voordeel geldt niet alleen voor instellingen voor hoger onderwijs, maar voor alle instellingen die subsidies of rijksbijdragen ontvangen en kwalificeren als btw-ondernemer, bijvoorbeeld zorginstellingen en maatschappelijke organisaties. Als bij de berekening van de pro rata verhouding de subsidies en of rijksgelden tot op heden wel zijn meegenomen in de berekening raden wij aan om bezwaar aan te tekenen tegen de nog openstaande tijdvakken. Deze uitspraak heeft in principe geen terugwerkende kracht. Echter, aangezien het hof dit standpunt al op 28 juni 2016 heeft ingenomen, zijn wij van mening dat de uitspraak mogelijk terugwerkende kracht heeft tot die datum.

Meer informatie

Heeft u vragen of wenst u meer informatie? Dan kunt u contact opnemen met één van onze btw-adviseurs.