BDO Nederland gebruikt cookies en trackingtechnologieën om het browser-gebruik op onze site te verbeteren, gepersonaliseerde content te tonen en traffic te analyseren. Door het gebruik van onze website, stemt u in met het gebruik van functionele cookies. Door op onderstaande button te klikken, stemt u in met analytische cookies. Lees meer over ons cookiebeleid en privacybeleid.
Artikel:

De fiscale ingrediënten van een maaltijd op de werkplek

27 maart 2019

In het kader van de werkkostenregeling wordt het te belasten loonvoordeel van een niet (meer dan bijkomstige) zakelijke maaltijd, die op de werkplek wordt verbruikt, forfaitair vastgesteld op een normbedrag (2019: € 3,35). De eventuele eigen bijdrage van de werknemer mag hierop in mindering worden gebracht.

Daarbij rijst natuurlijk in de praktijk de vraag wat, naast het aantoonbare karakter van de maaltijd, verstaan moet worden onder het begrip ‘maaltijd’ en hoe een en ander geadministreerd kan/moet worden. In het evaluatierapport van de werkkostenregeling uit februari 2018 erkent het kabinet concrete knelpunten binnen de werkkostenregeling, onder andere ook ten aanzien van de fiscale behandeling van dergelijke maaltijden. Hoe dit in de praktijk kan wringen, blijkt uit onderstaande recente casus van Rechtbank Noord-Nederland (19 maart 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:1122).

Kantinemaaltijden onder werkkostenregeling; toch geen te belasten loonvoordeel

Een werkgever beschikt over een bedrijfskantine op haar kantoorlocatie. Een aanzienlijk deel van de werknemers gebruikt de lunch in deze bedrijfskantine, op de dagen dat zij op de kantoorlocatie werkzaam zijn. In de bedrijfskantine hebben de werknemers de mogelijkheid om gedurende de lunchpauze tegen betaling brood, beleg, melk, boter en dergelijke, maar ook soep, belegde broodjes, tosti’s en verse fruitsalade te verkrijgen en te nuttigen. Deze producten worden klaargezet of bereid door een werknemer ('interne dienst'). Deze werknemer verzorgt daarnaast ook de koffieautomaten, de afwas, en in voorkomende gevallen ook zakelijke lunches, borrels en het nieuwjaarsontbijt. Voor veel werkgevers een herkenbare praktijksituatie denken wij.

In het jaar 2015 zijn de componenten en ingrediënten van de in de bedrijfskantine verbruikte maaltijden extern ingekocht, voor een bedrag van in totaal € 11.005,42. Aan haar werknemers heeft de werkgever ter zake van de in de bedrijfskantine aangekochte producten over 2015 een bedrag in rekening gebracht van € 9.933,78. Beide bedragen zijn exclusief btw. Louter door de toepassing van de werkkostenregeling op de waarde van de verstrekte maaltijden, die in eerste aanleg door de werkgever als eindheffingsloon zijn aangewezen, is er over 2015 sprake van overschrijding van de vrije ruimte. Ter zake van die overschrijding is eindheffing aangegeven en afgedragen. Dit bedrag is begrepen in de aangifte loonheffingen over de maand december 2015, maar de werkgever heeft alsnog bezwaar gemaakt tegen de afdracht op aangifte van dit bedrag. Dit bezwaar is echter niet gehonoreerd door de Belastingdienst.

Geschilpunt

In geschil is nu voor de rechtbank of er sprake is van (te belasten) loon c.q. een verstrekking van maaltijden en, zo ja, welke waarde daaraan moet worden toegekend.

Voordeel uit dienstbetrekking?

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een voordeel uit dienstbetrekking (c.q. loon in het verlengde van hun overige arbeidsinkomen), met de volgende argumenten. 

De lunch in de bedrijfskantine bestaat uit meer dan het (kunnen) kopen van de losse componenten zoals boterhammen en melk. In de eerste plaats is er is ook soep te koop en zijn er belegde broodjes en fruitsalades te verkrijgen. Die producten worden bereid door een werknemer die mede daarvoor in dienst is genomen. 

In de tweede plaats zorgt deze werknemer er na de lunch voor dat de afwas wordt gedaan. De andere werknemers hoeven dit dus niet zelf te doen. Al met al is het dus niet zo dat de werkgever slechts een uitstalling heeft gemaakt van ingekochte goederen die één op één worden doorverkocht aan de werknemers. In plaats daarvan genieten de werknemers van een service van de werkgever, die erin bestaat dat er een gevarieerde lunch wordt aangeboden op de werkplek, die deels bestaat uit bereidingen in plaats van losse componenten, terwijl er bestek ter beschikking wordt gesteld en de afwas wordt gedaan (hierna ook: de service). Het gaat echter te ver om een vergelijking te maken met lunchen in een lunchroom of restaurant, wat door de Belastingdienst wordt gesteld.

Er is derhalve sprake van een voordeel. Het voordeel houdt voorts voldoende causaal verband met de dienstbetrekking en wordt door de werkgever aan de werknemer verstrekt. Bij het ontbreken van een dergelijke service, dus louter de inkoop en verkoop van de aangekochte ingrediënten, zou deze conclusie wellicht anders kunnen zijn.

Wat is dan de (te belasten) waarde van de maaltijd?

De lunchmaaltijd dient naar het oordeel van de rechtbank in basis gewaardeerd te worden naar de waarde in het economische verkeer, omdat in deze situatie een factuurwaarde (de hoofdregel voor waardering) ontbreekt. De bedragen op de facturen van de leveranciers kunnen in de visie van de rechtbank niet fungeren als factuurwaarde van de verstrekte maaltijden (het totaalpakket inclusief service) aan de werknemers. Onderdelen van dit totaalpakket, zoals de kosten van de werknemer van de interne dienst, zijn immers niet door een derde partij in rekening gebracht. Er is ter vergelijking geen sprake van een bedrijfsrestaurant dat als geheel wordt gerund door een cateringbedrijf. De waarde in het economisch verkeer kan in dat geval gesteld worden op de prijs die een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een cateraar) in rekening zou brengen voor hetzelfde totaalpakket, inclusief alle service-componenten.

De te belasten waarde, in de situatie dat het eerdergenoemde normbedrag (in de casus in 2015:€ 3,20 en thans in 2019: € 3,35) per maaltijd hoger zou zijn dan de berekende waarde in het economisch verkeer, is dan echter op grond van de geldende wet- en regelgeving toch deze lagere waarde in het economisch verkeer. Het normbedrag moet in dit kader worden gezien als een bovengrens in de waardering.

Nu de werkgever in deze casus: 

  • Voor de eerdergenoemde service aan de werknemers aantoonbaar gemiddeld méér in rekening heeft gebracht dan alleen de inkoopkosten van de losse componenten en ingrediënten, en 
  • Het totaal in rekening gebrachte bedrag toch minder is dan op basis van het normbedrag, 

kan in feite het in rekening gebrachte bedrag beschouwd worden als waarde in het economisch verkeer. Omdat de eigen bijdrage van de werknemers hierop  in mindering komt, is er per saldo geen loonvoordeel te belasten. 

Dat geldt uiteindelijk ook voor de (enkele) gevallen waarin de waarde in het economisch verkeer wél hoger was dan normbedrag en dus het normbedrag  wél van toepassing was. In die gevallen was het bedrag dat aan de werknemer in rekening is gebracht namelijk aantoonbaar hoger dan de fiscaal in aanmerking te nemen waarde, zodat ook dan een voordeel van nihil resteert.

Een voor de werkgever in eerste aanleg positieve uitkomst dus, waarbij  uiteraard dient te worden afgewacht of deze uitspraak in eventuele verdere juridische procedures in stand zal blijven. Dit kijkje in de fiscale keuken maakt echter wel duidelijk dat het zinvol is om de fiscale gevolgen van de maaltijdvoorziening op de werkplek nog eens onder de loep te nemen. Uiteraard kunnen de specialisten van BDO u hierbij behulpzaam zijn.

Voor meer informatie zie: www.bdo.nl/alp. U kunt ons natuurlijk ook rechtstreeks benaderen via telefoon 070 – 338 07 22 of via [email protected].