Artikel:

Btw-positie commissaris en toezichthouder nog verder verduidelijkt

30 augustus 2021

De btw-positie van de toezichthouders is al geruime tijd onderwerp van discussie. Enige tijd geleden hebben wij u geïnformeerd over een belangrijk besluit waarin de Staatssecretaris aangeeft wanneer een toezichthouder geen ondernemer (meer) is voor de btw. Dit besluit liet echter nog ruimte voor twijfel. Onlangs heeft de Staatssecretaris in een besluit verdere verduidelijking gegeven. Tevens bevat dit besluit een belangrijke aanvulling op de (of wellicht nieuwe) goedkeuring ten aanzien van het recht op aftrek van btw voor de toezichthouder. In dit artikel informeren wij u hierover.

Geen btw-ondernemerschap toezichthouders

De verduidelijking uit het eerdere besluit dit jaar beschrijft reeds de situaties waarin toezichthouders niet (langer) kwalificeren als ondernemer voor de btw. Dit is het geval als zij deel uitmaken van:

  1. Toezichthoudende organen met een wettelijke grondslag in het publiek- of privaatrecht (o.a. NV, BV en (bedrijfstak)pensioenfonds);
  2. Toezichthoudende organen zonder wettelijke grondslag in het publiek- of privaatrecht (stichtingen en verenigingen);
  3. Bezwaaradviescommissies, adviescolleges met een wettelijk geregelde taak; of
  4. Toetsingscommissies, geschillencommissies en vergelijkbare commissies.

In deze situaties handelen commissarissen, toezichthouders en leden niet op eigen naam en niet voor eigen rekening en risico als in plaats daarvan het orgaan als geheel het toezicht houdt, uitspraken doet of beslissingen neemt. Daarmee ontbreekt de vereiste zelfstandigheid van de individuele leden van die organen om te kwalificeren als btw-ondernemer. Voor toezichthouders die deel uitmaken van organen met en zonder wettelijke grondslag blijft uiteraard gelden dat dit moet blijken uit de statuten en regelementen. In het nieuwe besluit wordt nader verduidelijkt dat eventuele andere activiteiten die de toezichthouder verricht als btw-ondernemer, geen invloed hebben op de btw-kwalificatie van de toezichthoudende activiteiten. Ook niet wanneer de activiteiten als toezichthouder in het verlengde liggen of samenhangen met de activiteiten als btw-ondernemer. Voor andere situaties dan onder A tot en met D hierboven, zal altijd per geval moeten worden beoordeeld of sprake is van btw-ondernemerschap.

Correcties hoeven niet, maar mogen wel

Eerder werd ervan uitgegaan dat de toezichthouder wel ondernemer was voor de btw. Uit de uitspraak ‘IO’ van het Hof van Justitie van 13 juni 2019 blijkt dat dat vaak niet het geval is. Omdat achteraf blijkt dat de toezichthouder geen btw-ondernemer is, rijst de vraag wat hiervan het gevolg is voor de in aftrek gebrachte btw. Het vorige besluit keurde al goed dat de btw die de toezichthouder in rekening had gebracht tussen 13 juni 2019 en 7 mei 2021, niet gecorrigeerd hoeft te worden als deze volledig door de afnemende organisatie in aftrek was gebracht.

In het nieuwe besluit maakt de Staatssecretaris duidelijk dat deze goedkeuring geldt voor alle situaties, ongeacht of de btw geheel of gedeeltelijk in aftrek is genomen door de afnemende organisatie. Ook wordt goedgekeurd c.q. verduidelijkt dat de toezichthouder eveneens geen correctie hoeft door te voeren op de aftrek van voorbelasting die hij/zij heeft genoten uit hoofde van de (vermeende belaste) toezichthoudende activiteiten. Een toezichthouder kan er zelfs voor kiezen om de door hem/haar gefactureerde btw voor de genoemde periode te corrigeren (crediteren), en hoeft dan de genoten aftrek van voorbelasting niet te corrigeren. Correctie van de gefactureerde btw wordt daardoor nog interessanter voor toezichthouders van organisaties met geen of een beperkt aftrekrecht, waarvoor de btw dus een kostenpost is. Op grond van het nieuwe besluit tast dit het aanvankelijk genoten aftrekrecht van de toezichthouder niet aan, wat de (beperkte) administratieve last van het corrigeren van de gefactureerde btw doorgaans meer dan goed zal maken. Voor zakelijk geëtiketteerde investeringsgoederen die vóór 7 mei 2021 in gebruik zijn genomen en waarvoor de btw in aftrek is gebracht, geldt eveneens dat de toezichthouder de btw-aftrek niet hoeft te corrigeren (er vindt dus geen herziening plaats). Dat geldt naar onze mening ook indien de gefactureerde btw is gecorrigeerd (gecrediteerd) door de toezichthouder.

Let op! Deze goedkeuringen gelden alleen voor toezichthouders die zich als natuurlijk persoon als btw-ondernemer hebben gedragen. Deze goedkeuringen gelden daarom in beginsel niet als de vergoedingen voor de toezichthoudende functie vanuit een eigen BV zijn gefactureerd, en die BV eventueel daaraan toerekenbare voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Het is daarom niet uit te sluiten dat bij een dergelijke BV wel een correctie zal moeten plaatsvinden.

Meer informatie?

Ondanks de recente verduidelijking en goedkeuring van de Staatssecretaris kan nog altijd onduidelijkheid of discussie met de Belastingdienst ontstaan over uw btw-positie als toezichthouder. Voor vragen of advies kunt u contact opnemen met een van onze adviseurs. BDO helpt u graag verder!