BDO Nederland gebruikt cookies en trackingtechnologieën om het browser-gebruik op onze site te verbeteren, gepersonaliseerde content te tonen en traffic te analyseren. Door het gebruik van onze website, stemt u in met het gebruik van functionele cookies. Door op onderstaande button te klikken, stemt u in met analytische cookies. Lees meer over ons cookiebeleid en privacybeleid.
Artikel:

Btw-besparing mogelijk bij samenwerking?

03 oktober 2019

In het zogenoemde VAVO-arrest oordeelde de Hoge Raad in 2016 dat twee onderwijsinstellingen in samenwerking btw-vrijgesteld volwassenenonderwijs kunnen aanbieden. De voor het onderwijs benodigde ondersteunende activiteiten die beide instellingen verrichten blijven daardoor buiten de btw-heffing. Recent heeft de staatssecretaris van Financiën in een besluit aangegeven dat het VAVO-arrest ook in andere sectoren toepasbaar is dan in de onderwijssector. Dit biedt mogelijkheden voor samenwerkingen in bijvoorbeeld de zorg-, woningcorporatie-, sociale of financiële sector.

Eerder hebben wij al overleg gevoerd met het Ministerie van Financiën over de toepassing van het VAVO-arrest op de samenwerking tussen ziekenhuizen en MSB’s. Het Ministerie heeft toen al aangegeven dat het arrest onder voorwaarden toepasbaar is in de zorgsector. Nu geeft de staatssecretaris aan onder welke voorwaarden volgens hem een beroep op het VAVO-arrest mogelijk is.

Voorwaarden

De voorwaarden in het besluit zijn:

  • De instellingen verrichten in samenwerking – dat wil zeggen onder gemeenschappelijke naam, verantwoordelijkheid en risico en voor gemeenschappelijke rekening – een btw-vrijgestelde prestatie.
  • Op de prestaties van de individuele instellingen en die zij in samenwerking verrichten, moet dezelfde btw-vrijstelling van toepassing zijn. Een samenwerking tussen bijvoorbeeld een ziekenhuis en een arts of een onderwijsinstelling voldoet niet.
  • De vrijstelling geldt voor de ondersteunende werkzaamheden die:
    • als bijkomstige prestaties opgaan in de hoofdprestatie van de instellingen. Dat is met name het geval als de bijkomstige prestatie voor de modale klant geen doel op zich is maar een middel om de hoofdprestatie zo aantrekkelijk mogelijk te maken; en/of
    • nodig en gebruikelijk zijn voor de btw-vrijgestelde prestatie die in samenwerking wordt verricht.

Wat betekent dit voor de praktijk

Het besluit biedt verder weinig handvatten voor de praktijk. Steeds moet een feitelijke beoordeling plaatsvinden aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Het besluit legt naar onze mening het arrest bovendien te beperkt uit. Zo stelt de Staatssecretaris de voorwaarden dat onder gemeenschappelijke naam wordt opgetreden en dat de ondersteunende werkzaamheden direct nodig moeten zijn voor de vrijgestelde prestaties. Deze voorwaarden blijken echter niet als zodanig uit het arrest. Verder meent de Staatssecretaris dat het arrest niet geldt voor uitlenen van personeel, terwijl daar in de casus in het VAVO-arrest wel degelijk sprake van is. Het besluit zet de deur voor nauwe samenwerkingen op een kier. Wel verwachten wij telkens discussie met de Belastingdienst voordat het VAVO-arrest en het besluit in de praktijk kunnen worden toegepast. Over de vraag of het VAVO-arrest toepasbaar is op de samenwerking tussen een ziekenhuis en een MSB loopt nog steeds discussie. Wij hopen daarbij op een positieve afloop.

Ten slotte

Uiteraard beantwoorden wij graag uw vragen naar aanleiding van dit nieuwsbericht. Neem hiervoor contact op met een van onze adviseurs.