Artikel:

Actualiteiten Jeugd-LIV en loonkostenvoordelen en stagiaires in 2018

22 juni 2018

De bedragen voor de onder- en bovengrens van het gemiddeld uurloon voor Jeugd-LIV 2018 zijn vastgesteld. Deze bedragen zijn recent gepubliceerd in de Staatscourant.

Werkgevers moeten zich verder realiseren dat de betaalde stage als een (fictieve) dienstbetrekking wordt gezien en dat men ook voor die periode in aanmerking kan komen voor het loonkostenvoordeel. Dit voordeel loopt door als aansluitend een BBL-contract wordt aangegaan. 

Jeugd-LIV 2018

De bedragen voor de onder- en bovengrens van het gemiddeld uurloon voor jeugd-LIV 2018 zijn vastgesteld. Deze bedragen zijn recent gepubliceerd in de Staatscourant. De bedragen van het minimumloon worden jaarlijks per 1 januari en per 1 juli geïndexeerd. Daarom wordt het bedrag van deze onder- en bovengrens per kalenderjaar vastgesteld op het gemiddelde van het minimumuurloon per 1 januari en per 1 juli.

Onder- en bovengrens 2018

Leeftijd bereikt op 31-12-2017 ondergrens bovengrens
21 jaar € 8,40 € 9,82
20 jaar € 6.91 € 9,34
19 jaar € 5,43 € 7,69
18 jaar € 4,69 € 6,04

Voorwaarden

De werkgever heeft recht op jeugd-LIV voor een werknemer die voldoet aan 3 voorwaarden:

  • De werknemer is verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
  • Hij heeft een gemiddeld uurloon dat hoort bij het wettelijk minimumjeugdloon voor zijn leeftijd.
  • De werknemer is op 31 december 2017 18, 19, 20 of 21 jaar.

Ook als ze werken in een (fictieve) dienstbetrekking, kan het (Jeugd) LIV voor stagiaires in principe van toepassing zijn. Voor de ziektewet zijn stagiaires immers werknemers. Wel is de kans groot dat niet aan de voorwaarde van de gemiddelde uurloongrenzen wordt voldaan waardoor geen recht bestaat op (Jeugd) LIV.

BBL-contract en doelgroepverklaring loonkostenvoordelen

Het loonkostenvoordeel is bedoeld om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen. Een betaalde stage kwalificeert in dat kader ook als (fictieve) dienstbetrekking. Dit geldt ook voor de werknemer die vervolgens een (BBL-)arbeidscontract aangeboden krijgt, en voldoet aan de voorwaarden voor het loonkostenvoordeel, met name voor de doelgroep ‘banenafspraak en scholingsbelemmerden’ .

Het probleem waar deze werkgevers nu in de praktijk tegenaan lopen is dat zij pas na het aangaan van het (BBL-)arbeidscontract een doelgroepverklaring aanvragen. Als deze aanvraag echter niet plaatsvindt binnen drie maanden na aanvang van de eerste dienstbetrekking (in dit geval de betaalde stage), wordt de doelgroepverklaring echter niet afgegeven en kan de werkgever geen aanspraak maken op het loonkostenvoordeel.  

Uit antwoorden van minister Koolmees van SZW op recente vragen vanuit de Tweede Kamer blijkt dat het UWV de betreffende werkgevers, al dan niet via de betrokken onderwijsinstellingen, hierover actief zal gaan informeren.  

Werkgevers moeten zich daarom realiseren dat op het moment dat een (fictieve) dienstbetrekking (de betaalde stage) wordt aangegaan met de stagiair, beoordeeld moet worden of de stagiair in aanmerking komt voor een loonkostenvoordeel, zodat de doelgroepverklaring dus binnen drie maanden na aanvang van stage moet worden aangevraagd.  

Uitzonderingen in 2018

Voor het jaar 2018 onderzoekt de minister de mogelijkheid een uitzondering te maken in die zin dat werknemers uit de doelgroep die direct aansluitend aan een betaalde stage (die is gestart op of na 1 januari 2018) een arbeidscontract zijn aangegaan met dezelfde werkgever alsnog een doelgroepverklaring kunnen aanvragen voor zowel de stageperiode als voor de periode waarop het arbeidscontract betrekking heeft.