Het H-woord

Op moment van schrijven van dit blog is zo goed als zeker dat er een kabinet zal komen met VVD – CDA – D66 en CU. Onlangs is via meerdere kanalen naar voren gekomen dat het nieuwe kabinet voornemens is om de inkomstenbelasting te wijzigen. Zo zou er sprake zijn van een algehele tariefsverlaging: tot een inkomen van ca € 68.000 zal het tarief 37% worden, daarboven wordt het tarief 49,5%. Behalve voor de lage inkomens (tot ca € 20.000 belastbaar inkomen) is dat een verlaging van minimaal 2,5% punt. De kosten voor deze belastingverlaging zijn hoger dan het beschikbare bedrag van € 5 miljard zodat ook maatregelen moeten worden genomen om deze belastingverlaging mogelijk te maken. En een van de daarvoor genoemde alternatieven is een verdere beperking van de hypotheekrenteaftrek.

Los van allerlei andere argumenten voor of tegen een systeem van stimulering van eigenwoningbezit en hoe die stimulering dan zou moeten worden vormgegeven, lijkt mij herziening van de hypotheekrenteregeling een verstandig iets. En ja, er zal iets moeten worden geregeld om te voorkomen dat bepaalde groepen in financiële moeilijkheden komen omdat zij de belastingteruggave nodig hebben om hun dagelijkse boodschappen te kunnen blijven betalen. Maar de huidige regeling is niet begrijpelijk en daardoor niet meer uitvoerbaar.

Huidige hypotheekrenteregeling niet begrijpelijk

Ik wil deze stelling verduidelijken aan de hand van een vraag die is gesteld door de Tweede Kamer aan de Staatssecretaris van Financiën .  De vraag is hoe de hypotheekrenteaftrek loopt in het volgende geval.

Marieke en Jan besluiten te gaan samenwonen en kopen samen een nieuwe woning. Marieke woonde in een huurhuis, Jan had in 2010 een woning gekocht, waarop nog een lening zit van 100. De woning wordt al snel verkocht voor 150: 50 winst voor Jan.
De nieuwe woning kost 200. Omdat Jan 50 “winst” gemaakt heeft, gaan Marieke en Jan een schuld aan voor 150. Deze schuld bestaat uit twee leningen: een aflossingsvrije lening voor 50 en een annuïteitenlening voor 100. Omdat de woning van hun beiden is, zijn de beide leningen ook gezamenlijk aangegaan.

Vooropgesteld: omdat Marieke en Jan samen eigenaar zijn van de woning waarin ze wonen, zijn zij fiscaal partner. Ze mogen het inkomen uit eigen woning vrijelijk tussen hun beiden verdelen. Maar eerst moet voor ieder dat inkomen worden bepaald.

Voor Jan geldt dat hij voor de helft eigenaar is van een woning waar hij zelf in woont. Hij moet voor zijn helft het eigenwoningforfait bij zijn inkomen tellen.
De koopprijs van zijn aandeel in de woning bedraagt 100 (de helft van 200). Zijn aandeel in de schuld is 75 (de helft van 100 en de helft van 50). Omdat hij zijn vorige woning verkocht heeft met een winst van 50, mag hij echter maar over 50 schuld (100 koopprijs minus 50 winst) hypotheekrente aftrekken. Dus over die laatste 25 (zijn  aandeel in de schuld van 75 minus het toegestane bedrag van 50) heeft hij GEEN hypotheekrenteaftrek.

Vervolgens Marieke. Ook voor Marieke geldt dat zij voor de helft eigenaar is van een woning waar zij zelf in woont en dus voor haar helft het eigenwoningforfait bij haar inkomen moet tellen. Evenals bij Jan, bedraagt haar aandeel in de koopprijs 100 en haar aandeel in de schuld is 75.
Omdat Marieke hiervoor in een huurhuis woonde, moet zij, om aanspraak te kunnen maken op hypotheekrenteaftrek, op haar leningen aflossen. En voor haar aandeel in de aflossingsvrije lening van 50 gebeurt dat niet. Dus ook Marieke mag slechts over 50 (75 aandeel schuld minus de helft van 50 aflossingsvrije lening) schuld de hypotheekrente aftrekken.

Conclusie: van de totale schuld van 150, is maar over 100 de rente als “eigenwoningrente” aftrekbaar. Indien Jan de woning alleen had gekocht, was over de volledige 150 de rente aftrekbaar. Dat zou ook het geval zijn geweest indien ze de schulden niet gezamenlijk zouden zijn aangegaan, maar ieder een eigen schuld zou hebben gehad (los van de vraag of de bank hieraan zou willen meewerken).

Niet begrijpelijk

Deze uitwerking van de wet is aan belastingplichtigen niet uit te leggen. En hoewel natuurlijk gestileerd, is het niet zo’n heel vreemd voorbeeld. Ik kan me voorstellen dat dit zich meerdere keren per week zal voordoen. En ik ben benieuwd wie dat vervolgens juist in de aangifte inkomstenbelasting verwerkt.

Zoals u wellicht weet, geldt de hypotheekrenteaftrek slechts voor 30 jaar. Daarbij tellen de jaren voor 2001 niet mee, maar vanaf 2031 kunnen belastingplichtigen worden geconfronteerd met beperking van hun hypotheekrenteaftrek. En dan wordt het pas echt moeilijk. Immers er moet voor alle jaren inzichtelijk worden gemaakt wat het bedrag aan hypotheekschuld was en daarmee hoelang u voor welk bedrag nog recht op aftrek heeft. Dat is nog wel redelijk te doen indien u al die tijd in dezelfde woning bent blijven wonen en alle onderhoud en verbetering vanuit uw eigen vermogen heeft kunnen betalen. Een beetje moeilijker wordt het als u tussentijds een of meerder keren bent verhuisd. Of eerst gehuwd was en na uw scheiding alleen in een woning bent gaan wonen om een paar jaar later met iemand anders met een gelijke historie te gaan samenwonen in een woning van u beiden. Ik zou alvast een overzicht maken van de vanaf 2001 in de aangiften inkomstenbelasting opgenomen hypotheekbedragen. En de oude aangiften bewaren: immers na 2031 moet u bewijzen dat u in 2005 echt slechts een hypotheek had van 100 en niet van 200.

Wilt u meer weten?

Neem gerust contact met mij op als u meer wilt weten over de hypotheekrenteregeling.