Nederland
Voor vrij ondernemen
Terug naar BDO HomeEnglish versionSitemapUw winkelwagen
Skip Navigation Links
InloggenExpand Inloggen
Skip Navigation Links
Geen verliesneming bij afwaardering onzakelijke lening  
 
De BV die een lening verstrekt aan een andere BV en daarbij geen strikt zakelijke condities in acht neemt – zoals wel vaker voorkomt tussen een houdster- en een dochtervennootschap – gaat zo een debiteurenrisico aan dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. Als later blijkt dat de debiteur niet goed is voor haar geld, kan de crediteur zo’n onzakelijke lening niet afwaarderen ten laste van haar bedrijfsresultaat, zo heeft de belastingrechter al enkele malen beslist.

A was enig aandeelhouder en directeur van BV X. Die BV hield alle aandelen in BV Y. A was in loondienst bij BV X. Via een managementovereenkomst verrichte hij werkzaamheden voor BV Y. BV X richtte eind mei 2004 de dochtervennootschap BV Z op, die nieuwe bedrijfsactiviteiten ging verrichten. A ging vanuit zijn houdstervennootschap BV X werken voor BV Z. BV X bracht daarvoor jaarlijks € 30.000 aan managementfee in rekening.

BV X financierde de nieuwe bedrijfsactiviteiten in BV Z met geld dat zij in rekeningcourant opnam bij haar dochtervennootschap BV Y. Voordien had BV X ook al geld geleend van BV Y om het salaris van A te kunnen betalen en om A een lening te verstrekken voor de financiering van diens privé-woning.

BV Y berekende over de vordering op haar moedermaatschappij jaarlijks een rente van 6,25%. Die rente werd steeds – rentedragend – bijgeschreven bij de hoofdsom, maar niet betaald. De lening was niet schriftelijk vastgelegd. BV X deed geen aflossingen op de lening en daar was ook niets over afgesproken. Ook waren er geen zekerheden gevraagd noch gesteld voor de aflossing van de lening.

In het boekjaar 2003/2004 ging het zakelijk bergafwaarts met BV X. De vordering van BV Y op haar moedermaatschappij BV X was per 1 juli 2004 opgelopen tot € 231.834. BV Y waardeerde die vordering met bijna € 140.000 af ten laste van haar bedrijfsresultaat. De inspecteur accepteerde die afwaardering niet. Hij stelde dat de door BV Y verstrekte lening onzakelijk was, en Rechtbank Breda was het daar mee eens.

De Rechtbank besliste dat een onafhankelijke derde nimmer een lening onder die voorwaarden en omstandigheden zou zijn aangegaan. BV X beschikte zelf niet over liquide middelen of andere activa, waarmee zij de schuld aan BV Y zou kunnen aflossen. BV X kon als houdstervennootschap de lening slechts aflossen als zij van haar dochtervennootschappen – en met name van BV Y, de crediteur – dividend zou ontvangen. Een derde zou onder die voorwaarden nimmer een lening verstrekken. BV Y had het debiteurenrisico enkel en alleen aanvaard om het belang van haar moedermaatschappij als aandeelhouder te dienen. Daarom handhaafde de Rechtbank de correctie van de inspecteur.

Bron:
Rechtbank Breda 12 februari 2009 AWB08/261, Fida 20091500
Datum:
28-9-2011 21:11